21-06-16

Schaar

   
   
   

          Wanneer ik hem met grote ogen rond zie kijken, ben ik er zeker van dat hij de dingen anders ziet dan ik.
Schoorvoetend schuifelt hij het zomerhuisje in. Met bevende handen wankelt hij naar een evenwicht, van de deurklink naar een commode, naar de rand van de eettafel, waar hij zich ontredderd op een stoel laat neerploffen met een lege blik die zich uiteindelijk vragend naar mij richt. Omdat ik op dat moment geen zinnig antwoord kan bedenken, wend ik me tot de taxichauffeur die, met de twee zware koffers en het opgeplooide looprek naast zich, onwennig op het terras staat te wachten op een teken dat hij kan beschikken. Ik haal mijn portefeuille boven en betaal de rit. Het wisselgeld dat ik met een afwerend gebaar weiger, is als fooi ruim voldoende, vermoed ik.
Als uit het niets stelt een donker gebruinde, zo goed als kaalgeschoren jongen van amper twintig, gekleed in een ruim zittende, helwitte outfit, een T-shirt en bermuda met daarop het oranje logo van het resort, zich breed glimlachend voor als de receptionist. Hij spreekt vloeiend Nederlands met een weerbarstig accent dat een ver, koloniaal verleden verraadt. Ongevraagd verdwijnt hij met onze valiezen naar het verduisterde gedeelte van de woning waar het, hoop ik, iets frisser is.
In het huisje zijn alle muren in blauwe en turquoise tinten geschilderd. Het meubilair is rudimentair, in een verweerde houtsoort die refereert naar de ruwheid van het vulkanische landschap waar de taxi ons vanaf het vliegveld doorheen heeft gevoerd. Her en der hangen er kaders met vluchtig geaquarelleerde vruchten en planten waarop het eiland zich beroemt. Waarschijnlijk is elk huisje op dezelfde manier ingericht, toch stralen de ingebouwde halogeenspots een gevoel uit dat hier iets uitzonderlijks wordt belicht. Ik begrijp het effect dat de binnenhuisarchitect, een vrouw daar ben ik quasi zeker van, heeft beoogd. Ik kan er mee leven, zal me er zelfs thuis kunnen voelen, voor de tien dagen die me hier zullen resten.
‘En, wat vind je er van?’ vraag ik.
Moeizaam antwoordt hij, bijna fluisterend: ‘Proper, ’t is hier proper…’
Ikzelf voel me vuil en bezweet na een vlucht die uiteindelijk meer dan een half etmaal heeft geduurd, maar ik ruik vooral wat zich al die tijd heeft genesteld in zijn luier.
‘Heb je honger?’
‘Een beetje.’
Dat ‘beetje’ roept de echo van vroeger op;  hij heeft geleerd om nooit iets buitensporigs te verlangen, om de tering naar de nering te zetten, in alle nederigheid die hem en zijn met een oorlogsjeugd beladen generatie is ingelepeld.

          De jongen van de receptie is ondertussen teruggekeerd. Terloops kijkt hij op zijn smartphone, negeert de oude man aan tafel en richt zich nadrukkelijk tot mij: ‘Is het goed dat ik u het huis en de faciliteiten even voorstel?’ Zonder mijn antwoord af te wachten, draait hij zich om en troont hij me naar de keuken naast de woonkamer. Uitvoerig trekt hij kasten en schuiven open en beschrijft de inhoud en het gebruik van de keukenapparaten. Wanneer hij de ijskast opent en overloopt wat op mijn verlanglijstje stond, is het vooral de fles oude jenever die me gerust stelt. Van de twee slaapkamers interesseert me vooral de andere, die met het ergonomische bed en de rode knop waarmee dag en nacht beroep kan worden gedaan op verpleegkundige zorg.
‘U kan gebruik maken van het restaurant, maar dan moet u minstens vier uur op voorhand reserveren. Dat kan telefonisch of per mail. U kan natuurlijk ook gewoon even binnenspringen; de receptie bevindt zich aan de overkant.’ Hij neemt me mee naar een raam, opent de luiken en wijst naar een helwit Mexicaans aandoend kerkje, als uit een goedkope spaghettiwestern. ‘Dat is de ingang van het hotel.’
Als hij mijn verrassing merkt, kijkt hij me bijna tartend aan: ‘Alles is hier een beetje nep, maar wel supermodern en comfortabel. We bieden onze klanten alle mogelijke luxe: er is een tropisch openluchtzwembad met individuele stoom- en bubbelbaden, u kan beroep doen op de personal assistants in onze fitnessruimte, aangepast aan mindermobiele personen. Zelfs voor ander, meer mobieler genot kunnen we zorgen.’ Hij knipoogt en lacht een rij wit gebleekte tanden bloot, geeft me zijn kaartje en grinnikt: ‘Ik ben bereikbaar tussen acht en tweeëntwintig uur, voor en na zorg ik voor mezelf. Zoals gevraagd komt er ’s morgens en ’s avonds een verpleger langs om zich te ontfermen over ‘mijnheer’.’
Het zelfverzekerde toontje van de jongen begint me te ergeren; tijdens zijn beroepsopleiding Toerisme was hij wis en zeker het haantje, maar vooral het ettertje van de klas, denk ik.

          Vader kijkt met ogen die niets schijnen te verwachten voor zich uit. Ook voor mij is alles hier onbekend, maar voor hem is er geen plaats voor verwondering. Ik vrees dat hij zich eerder angstig voelt, niet de kinderlijke angst om de weg kwijt te raken maar het wantrouwen om ergens te eindigen zonder weg terug.
‘Wil je iets drinken?’ Ik zet hem een glas water met zijn pillen voor. Routineus neemt hij zijn medicatie en brengt hij trillend het glas naar zijn mond. Het water sijpelt uit zijn mondhoeken. Wanneer hij een zakdoek probeert op te diepen uit zijn broekzak, zeg ik: ‘Geeft niet, het is maar water. Je bent moe; het was een vermoeiende reis.’
‘Hoe bedoelt ge?’ mompelt hij.
‘Wel, we hebben al bij al meer dan vier uur gevlogen. Samen met het in- en uitchecken en de taxiritten, zijn we meer dan een halve dag onderweg geweest.’
Hij reageert niet, het is duidelijk dat hij zich nauwelijks iets herinnert van dit avontuur. ‘Waar is de mama?’ vraagt hij tenslotte.
‘Die is voor een weekje met een vriendin naar Blankenberge.’
‘Ik wist niet dat zij nog vriendinnen had.’ Het klinkt honend; ook hier, met meer dan drieduizend kilometer tussen hen beiden, klinkt het eeuwig, onderhuids gewedijver door.
Wanneer zijn glas voor de helft leeg is, stel ik hem voor om even op bed te gaan liggen, een voorstel waarop hij gretig ingaat. Terwijl ik hem toedek, zeg ik hem dat we na zijn dutje naar de haven kunnen gaan om een kleinigheidje te eten en vanop de steiger naar de oceaan te kijken.
‘Ik wist niet dat Blankenberge aan een oceaan ligt,’ is zijn laconieke antwoord.
‘We zijn hier op een eiland ter hoogte van de Sahara.’
‘Toch heb ik het koud.’ Al lijkt dit hier en nu onwaarschijnlijk, ik kan het begrijpen; een oud lichaam reageert anders op de prikkels van een onbekende omgeving. Dat heeft de dokter me duidelijk gemaakt.
‘Maar voelt ge u hier al een beetje op uw gemak?’
‘Alles is beter dan 't ziekenhuis.’
   
   
   

00:32 Gepost in Proza | Commentaren (0) | Tags: vruchtgebruik, schaar

29-03-16

Ach (waarschuwing op een pakje sigaretten)

     
   
  

bierviltje,30 jaar,witzli poetzli,ach,waarschuwing

Ontwerp voor bierviltje naar aanleiding van 30 jaar Witzli Poetzli.
Beschikbaar vanaf 26/03/2016.
  
  
  

 

25-03-16

Argeloos

   
   

Ik had gehoopt dat het maal
dat ik mijn gasten aan wou bieden,
welwillend zou worden genuttigd
met complimenten aan de kok.

Vanuit de keuken hoor ik enkel
het misprijzen; volgens hun profeet
ben ik te voortvarend in mijn ijver

om honger en dorst te laven
met smaak en enig fatsoen.
Ze spuwen in de soep en
verminken mijn beminde.
 
   
   
   

24-02-16

een goede (verre) buur


   
De correctionele rechtbank van Antwerpen heeft Frank H. (66), gewezen Antwerps gemeenteraadslid van sp.a en PVDA, en zijn Nigeriaanse echtgenote Favour F. (32) veroordeeld voor lasterlijke aangifte tegen een politie-inspecteur, die een onderzoek moest uitvoeren naar een mogelijk schijnhuwelijk tussen hen. Ze kregen twee maanden cel en 600 euro boete, beiden met uitstel, en moeten de inspecteur 500 euro schadevergoeding betalen.

buur,sereniteit,bijkomend,lasterHet koppel had klacht ingediend tegen de inspecteur voor racisme, intimidatie en schriftvervalsing. Hij had hen op 6 mei 2014 verhoord naar aanleiding van hun huwelijksaanvraag en moest nagaan of het niet om een schijnhuwelijk zou gaan.

Ze vonden dat de inspecteur hen geïntimideerd had en schokkende en intimiderende vragen had gesteld. Volgens de inspecteur was het verhoor sereen verlopen. Het parket seponeerde de klacht, omdat na onderzoek bleek dat er zich tijdens het verhoor geen onregelmatigheden hadden voorgedaan.

De politie-inspecteur diende daarop zelf klacht in wegens lasterlijke aangifte. Hosteaux en zijn echtgenote wilden de inspecteur naar eigen zeggen niet schaden, maar de rechtbank was het daar niet mee eens. Er werd in het vonnis gesteld dat ze maar al te goed wisten dat de politie-inspecteur niets verweten kon worden en dat hun klacht vals was.

“Het kwaadwillig opzet van beklaagden wordt bijkomend nog bevestigd door het gegeven dat zij beroep deden op de pers om artikelen te laten publiceren waarbij de schijn gewekt werd dat hun huwelijk belemmerd werd door de politie-inspecteur die hen verhoorde over hun mogelijk schijnhuwelijk”, aldus de rechtbank.

(De Standaard, 23/02/2016 - beeld: Triple Lambiek, Dennis Tyfus, 2014)
   
   
   

26-01-16

(winter)sonate

   

De huid wordt moe, voel ik
wanneer ik haar samendruk
en dan weer loslaat; het lijkt
wel alsof de rek er uit is.

En ook haar taal wordt moe;
ze klinkt onvoltooid en huist,
wat achteloos, in het verleden.

Ik hoor 't voorzichtig gekuch
van een nageslacht. Ook dat
schijnt zich neer te leggen
bij het tragerwordend licht.
   
   
   
   
   
   

18-12-15

I.M.

  

  

  ‘Ik heb geen aanleg tot kankeren, wel een goed gevoel voor tumor.’

Luc Brewaeys (1959 - 2015)
  
  
  
  

16:56 Gepost in Algemeen | Commentaren (0)

06-11-15

Picnic

   

Picnic with Ady_nr.jpg
  
  
foto's: Man Ray (MB-RB-LO), Lee Miller (MO) en Roland Penrose (LB-RO)
  
  
  
   
   
  

31-10-15

Schachten (werkwoord) 3/3

   
   

Het meisje begrijpt het nog steeds niet, heer kramp des te meer.
Als toevallige voorbijganger wil ik het niet begrijpen: wanneer ik
hem uitscheld voor beul, krullen zijn lippen van eigenwaan. Volgens
zijn afkomst is dit de geuzennaam die hij altijd al heeft nagestreefd.

Krijs is wijselijk gevlucht en ontfermt zich over de jongen die rillend
herstelt van de radeloosheid waarmee men de hel tracht te vergeten;
wat een lichaam afscheidt haalt moederlijke instincten naar boven.

Kramp blijft halsstarrig brullen, vaderlijke gevoelens zijn vooralsnog
niet aan hem besteed; een schacht (een meisje bovendien) heeft pas
bestaansrecht als een fragment dat de ondergeschiktheid aanvaardt,
als een onooglijk iets dat de werkelijkheid walgend mag ondergaan.
   
   
   
   
   

29-10-15

Schachten (werkwoord) 2/3

   
   

Een uitgeput meisje begrijpt het niet: iemand had haar ingefluisterd
dat onderwerping een vorm van assimilatie is, niet dat haar lichaam
en maag zouden worden geveild in het kader van een overlevering
waarin een even onthutste schacht in haar mond ejaculeren moet.

Vrouw krijs vindt het nochthans prima, zij herinnert zich de smaak
van zaad en mayonnaise waarmee zij niet ontmaagd, dan wel
de rechterhand van heer kramp geworden is, want zeg nu zelf:

wat is er in godsnaam mis om iemand op zijn plaats te zetten,
iemand een nummer op de bovenarm te tattoeëren, hem of haar
te archiveren in de annalen van de universiteit? Om ergens bij
te horen zijn alle vormen van laatdunkendheid gepermitteerd.   

      

 

      
   

27-10-15

schachten (werkwoord) 1/3

   
   
   
Verwrongen gezichten zijn (initieel) verwaasloosbaar;
hees gebralde keelgeluiden in een niet te traceren streek-
taal bewijzen dat men weinig van de wereld heeft gezien
(alweer een strenge opvoeding als een maat voor niets).

Laat ik deze zonde een naam geven: heer kramp en vrouw krijs,
een koppel gelijkgestemden die, weliswaar dronken, flets
en kleurloos, hun macht eindelijk kunnen doen gelden.

Ze temmen hun slachtoffers zoals ze het zelf eerder
hebben moeten ondergaan: schachten besmeuren en voeden
met vet en lichaam totdat deze kokhalzend dromen van de dag
waarop wraak naast zuur ook zoet smaken zal.   

      

 

 

23-09-15

Politiek(ers)

      
   
  

Vlieg verwijt paard
dat drol niet deugt.

Paard verwijt vlieg
dat die drol niet lust.

Drol verwijt vlieg
gebrek aan deugd.

Drol verwijt paard dat
geen vlieg hem kust.

  
   
   
  



22-09-15

Politiek

  
  
  
"Vlieg verwijt paard
dat drol niet deugt."
        
Riekus Waskowsky (1932 - 1977)

   

    

    

  

21-09-15

Ooghoogte

  
  
  

uitn_fortgens.jpg

Download de PDF

 

 

 

27-08-15

Schaafwond

   
   

Wanneer men twijfelt, rekt de tijd zich. Vooral nachten worden trager; de slaap wordt uitgesteld. De dagen spelen zich af tussen plicht en ongeloof.

Ze lag al een tijd in bed toen hij ging slapen. Zonder zich naar hem om te draaien, vroeg ze: ‘Ben jij ooit verliefd geweest op een ander?’ De vraag klonk alsof er lang over was nagedacht.
Behoedzaam overwoog hij een antwoord, dat zich hoe dan ook, dat wist hij, tegen hem zou keren: ‘Neen.’
‘Dat geloof ik niet. Is er in die lange tijd dat wij samen zijn, nooit een ander geweest die jou kon verleiden?’
‘Jawel…’
‘Zie je wel!’
‘Laat me uitspreken, ik bedoel: er zijn wel vrouwen geweest die ik aantrekkelijk vond en waar ik graag mee omging.’
‘Zoals?’ Ze draaide zich op haar rug en staarde afwachtend naar het plafond.
Koortsachtig begon hij in zijn herinneringen te graven, alsof hij zich moest verantwoorden, alsof hij, wanneer hij geen concrete feiten kon opbiechten, ongeloofwaardig zou overkomen.

   
   

tony_oursler_untitled_talking_photograph_1024x768.jpg
Tony Oursler - Untitled (talking photograph) - 1996

   
   

 

 

 

14-08-15

Portret

   
   
  
Vanaf dat ogenblik werd Hanel met rust gelaten; geen van haar medeleerlingen dacht er nog aan om toenadering tot haar te zoeken. Voor haar was dit geen probleem; ze ergerde zich toch maar aan het gekir en hun flauwe praatjes. De vriendjes van haar klasgenoten die hen na schooltijd op de hoek van de straat opwachtten, interesseerden haar meer. Ze kon hen bijvoorbeeld sigaretten afluizen die ze met een schijnbaar gemak inhaleerde of hen een tong draaien alsof ze haar hele leven niets anders had gedaan. Maar na verloop van tijd begonnen ook hun pokdalige tronies en ruwe handen haar snel te vervelen. Uiteindelijk verlangde ze alleen nog maar naar haar eigen kamer, naar het nest met verfrommelde lakens waarin ze haar gretigheid kon laten ontsporen en eigenhandig temmen terwijl ze een zo goed als anonieme blik dit alles goedkeurend liet gadeslaan. Ik wil niemand pijn doen, dacht ze nog, net op het moment dat haar grootvader ziedend de kamer binnenstormde, haar van het bed sleurde en haar gebood zich aan te kleden.

 

 

portret van een jongedame v+a.jpg

Portret van een jongedame - Wilhelm Amberg - 1858

  
  
  
  

 

29-07-15

Vruchtgebruik 1

   
   

Ruzie was alomtegenwoordig in huis. Geen openlijk gescheld, noch slagen en verwondingen, niets dat letterlijk bij de haren werd getrokken, wel een constante onvrede die onderhuids werd uitgespeeld, bij gebrek aan beter tegenover de meest nabije: de wederhelft óf het enige kind dat ik was. Een strijd die mompelend werd gevoerd, tussen neus en lippen, tegenover een onzichtbare in huis die net zo hardhorig werd geacht als de ruziemaker zelf. Van jongs af aan heb ik geleerd om dit getouwtrek lijdzaam te ondergaan.
Ook wanneer er bezoekers in huis waren, werd het spel gespeeld, met een verbetenheid waarvoor ik me enkel schamen kon. Nooit heb ik mijn ouders weten genieten, alles was een gevecht dat ze bij voorbaat verloren door een gebrek aan intimiteit en waardering. Geen tranen tonen, geen nuance, geen genade noch compassie; het beste was niet goed genoeg of bleek onbetaalbaar, want alles werd uitgedrukt in geld. Wat niets opbracht was een obstakel dat hun eeuwig liefdeloos getwist, hun onderlinge rivaliteit met elkaars werkelijkheid enkel voeden kon.
Misschien ben ik op mijn beurt te streng in mijn oordeel, maar zo is het mij nu eenmaal geleerd.
   
   
 vruchtgebruik,onvrede,onderhuids,schaamte,oordeel                        Junge komm bald wieder - Werner Mannaers - 1994
 
   
   
 

05-05-15

maître

 

   
   
Als ik de tijd dood pleeg ik 

zelfmoord voor de spiegel.

Als ik betrapt kan 
worden ben ik schuldig. 
Als ik misverstand inroep 
heb ik alibi's nodig.

Als ik moet zoeken 
twijfel ik. Als ik 
verplicht word te weten 
heb ik vragen gesteld.

Als ik gezien ben kan 
ik niet meer meespelen. 
Als ik word uitgekleed 
moet ik gewassen zijn.

Als ik met vechten op
houd trek ik een grens.

Als ik een grens 
trek houd ik met vechten op.

Als ik moet gewassen 
zijn word ik uitgekleed. 
Als ik niet meer kan mee
spelen ben ik gezien.

Als ik vragen heb 
gesteld word ik verplicht 
te weten. Als ik twijfel 
moet ik zoeken.

Als ik alibi's nodig 
heb roep ik misverstand in. 
Als ik schuldig ben 
kan ik betrapt worden.

Als ik zelfmoord voor de 
spiegel pleeg dood ik de tijd.
   

 

Mark Insingel (°1935)
   
   
   

 

15-04-15

Kameraad

   
   

Alain-Delon-in-Le-Cercle-Rouge-1970.gif
  

 
   Ooit zal 't roken niet alleen mij problemen bezorgen
maar ook de organisatoren van een tentoonstelling
over mijn leven en werk. Door het alsmaar verder
doorgedreven gezondheidsideaal zullen ze

enkele mooie foto's willen vinden waarop ik
géén Gauloise tussen mijn vingers of lippen
hou. Die zoektocht zal niets opleveren.

Uit armoede zal men dan kiezen om
de eeuwige sigaret weg te retoucheren,
net zoals de communisten dat vroeger deden
met in ongenade gevallen kameraden.

 

 

dank aan popokabaka
voor de inspiratie  

 

19-03-15

maître

   
   
   
De meester is moe. Meewarigheid
is z'n aandeel in het jonge geweld,
het geratel dat te luide muziek
overstemt met boute citaten.

De leerlingen luisteren niet meer.
Gisteren is morgen allang vergeten
want vandaag begint met een kater.

Op weg naar huis komt hij haar tegen,
een hoopje weifeling over haar maten,
blessures die niemand negeren wil.
Waarom houdt niemand zijn snater?   

      
   

 

00:51 Gepost in Poëzie | Commentaren (0) | Tags: maître, meester, moe, blessure, snater

24-01-15

getuige

   
   
Haar stem vergeef ik
alles, zelfs haar ruimte
grijpt me naar de keel,
keert me in haar schoot.
  
‘Blijf nog even’ klinkt de echo.
Een wat zeurderig mannenkoor heft
een klaagzang, als voor de dood.
  
Wat als haar stem nu ruwer was,
ongepolitoerd, met kleine haken?
Haar huid blijft hemels, zachter
kan ze niemand raken.
   
   

00:12 Gepost in Poëzie | Commentaren (0) | Tags: getuige, stem, ruimte, keel, schoot, huid

02-11-14

Waar men leest / naar men zegt

   
   
De politie wil met enkele opvallende campagneborden op de straten rond de Boekenbeurs zoals de Beschavingstraat parkeerders er 'naar eigen zeggen' op attent maken dat ze de aantrekkelijkheid van hun wagen als potentieel doelwit voor auto-inbrekers voor een deel zelf in de hand hebben.   (vrij naar De Morgen, 1 november 2014)
   
   

02:29 Gepost in Anekdoten | Commentaren (0) | Tags: boekenbeurs

05-09-14

Waar ik woon (binnen)

  
  
  
  

waar,ik,woon,binnen,compositie,tranen,lehmbruck,coomans


   
   
   
  

07-07-14

waar ik woon (buiten)

   
   
   
  
  

waar ik woon.jpg

 

   

18:43 Gepost in Foto's | Commentaren (0) | Tags: waar, ik, woon, straat, fataal, beginsel

13-03-14

Schampschot (IV)

  
  
(...)
Terwijl hij zijn tekengerief opborg, was het opmerkelijk stil in de Studio. Iedereen zat naarstig gebogen over zijn tekentafel te krassen en te gommen. Ivo, de oude rot van het gezelschap, die zich hoofdzakelijk bezighield met de scenario’s en de ruwe schetsen van een spin-offreeks die opvallend genoeg enkel in Duitsland razend populair was, maakte een fotokopie. Toen dat werkje er op zat, kwam hij behoedzaam op hem af en fluisterde: ‘En? Heeft hij je de levieten gelezen?’

‘Zoiets, ja.’
‘Ben je al weg? Hij heeft jou toch niet ontslagen?’
‘Zo erg was het nu ook niet. Hij wou alleen even de puntjes op de i zetten.’
‘Trek het je niet aan, dat is mij ook al overkomen en zie, ik zit hier nog steeds. Ach, we kennen hem; als je een flauwe grap voor de zoveelste keer gebruikt, is er geen vuiltje aan de lucht, maar o wee als je een decolleté wat te laag hebt getekend, dàn moet er worden ingegrepen. Naar het schijnt heeft hij testamentair laten optekenen dat in de verhalen die na zijn dood verschijnen geen seks en grof geweld mag voorkomen.’
‘Behalve als het geld zou opbrengen,’ klonk het bijna anoniem vanachter een tekentafel. In elk gezelschap is er een rebel, maar vandaag had hij geen zin om daarin mee te gaan.
‘Heeft iemand Malaya gezien?’ vroeg hij vooraleer hij vertrok.
‘Daarnet was ze het reftertje aan het schoonmaken,’ zei de anonieme stem, ‘en maar schudden met die prachtige borstjes.’ Er werd gegniffeld.
 
Tien jaar geleden was de Filippijnse als jong meisje naar België afgereisd om met de dertig jaar oudere tuinman van de meester te huwen. Als huwelijksgeschenk had deze haar duur trouwkleed bekostigd en haar een deeltijdse betrekking als poetsvrouw aangeboden.
Hij vond haar inderdaad in het reftertje terwijl ze de afwas deed.
‘Dag Malaya, naar het schijnt kan jij me vertellen wat ‘pastuk’ betekent?’
Ze keek hem verlegen aan en droogde haar handen af: ‘Wie heeft jou dat verteld?’ Giechelend benadrukte ze elke lettergreep op een vreemde zangerige toon. Na tien jaar was ze nog steeds onzeker over haar Nederlands, alhoewel ze zich behoorlijk verstaanbaar kon maken.
‘De meester.’
‘Vreemd, hij is me niks gevraagd.’
‘Maar je weet wat het woord betekent?’
Ze aarzelde. ‘In mijn oude moedertaal, het Tagalog, betekent het zoiets als wonde, maar niet diep in de huid.’
‘Een schaafwonde?’
‘Ja, dat is het, maar het betekent ook nog iets anders, wanneer iets maar eventjes geraakt wordt…’
Hij dacht na. ‘Een schampschot?’
‘Dat woord ken ik niet. Zou kunnen. Waarom is het belangrijk?’
Hij probeerde haar duidelijk te maken dat hij het woord eerder toevallig had verzonnen en had gebruikt in een tekening. Over de gespiegelde betekenis repte hij met geen woord.
‘Elk woord heeft een betekenis, zoals mijn naam Malaya, dat betekent ‘vrij’. Wat betekent jouw naam?’
‘Dat weet ik niet, ik zou het eens moeten opzoeken… In ieder geval heeft het niets met vrijheid te maken, denk ik. En, voel jij je vrij?’
Ze keek hem beteuterd aan. ‘Toen ik mijn familie achterliet dacht ik eindelijk vrij te kunnen zijn. Ik dacht dat in België alle mensen vrij zijn, maar dat is niet zo, ze zijn zelfs niet blij. Domme Belgen!’ Ze begon te proesten terwijl ze een hand op haar mond drukte en haar lijfje liet schudden. ‘Dat laatste zeg ik maar om jou te plagen,’ klonk het schalks.
  
  
Men zal zich herinneren dat hij als geen ander binnen de lijntjes kleuren kan. Niemand kent zijn naam en misschien is het beter zo; iemand die een naam krijgt wordt algauw een slachtoffer of een dader. Hij beschikt liever over het talent om zich anoniem en op tijd terug te trekken, met iets dat een glimlach oplevert, om bestwil.
  
  
  

12-03-14

Schampschot (III)

  
  
(...)
‘Het spijt me,’ stamelde hij.

De meester dronk zijn glas leeg en stak een zoveelste sigaret op. ‘Ik ben bereid om uw excuses te aanvaarden, maar ik wil wel een aantal zaken duidelijk stellen, àls ge al voor mij wilt blijven werken. Dat laatste hoop ik, want laat me duidelijk wezen, wij zijn meer dan tevreden over uw werk. Ik kan me voorstellen dat ge na jaren misschien andere ambities koestert, dat ge een eigen reeks zou willen opstarten bijvoorbeeld. Aan tekentalent ontbreekt het u niet en er zijn er meer die in het verleden hun eigen gang zijn gegaan. Ik heb hen daarbij zelfs aangemoedigd en in de mate van het mogelijke gesteund. Zoals ge weet is onze grootste concurrent een voormalige tekenaar van mij. Ik gun het hem nog altijd van harte en hij is me er nog steeds dankbaar voor… Loyaliteit is belangrijk in ons vak. Er zijn er die ons neerbuigend beschouwen als simpele krabbelaars voor een ongeletterd publiek, maar ondertussen bereiken wij wél miljoenen lezers, al decennialang. Vandaar mijn vraag: zijt ge bereid om voor mij te blijven werken, onder mijn voorwaarde, dat wil zeggen: dat ík de grapjes verzin?’
De leerling antwoordde bevestigend. Wat kon hij anders; hij had een gezin, een huis dat moest worden afbetaald en mistte de moed en de fantasie om zijn eigen gangen te gaan.
‘Dat is dan afgesproken. Ge moogt de rest van de dag beschikken. Ga naar huis en vertel uw vrouw het goede nieuws.’ Hij stak een sigaret op en vervolgde zelfgenoegzaam: ‘Overigens, zover ik mij herinner heb ik uw vrouw hier nog nooit gezien. Ge moet haar eens uitnodigen, dan kan ze kennismaken met de Studio en mijn Mieke.’
De leerling betwijfelde of die twee mekaar zouden kunnen vinden. Hij kon zijn vrouw moeilijk voorstellen in het gezelschap van de tweede vrouw van de meester die uit verveling de godganse dag in een ligstoel aan het zwembad kruiswoordraadsels invulde met een fles porto binnen handbereik, maar hij antwoordde dat hij de uitnodiging zou overbrengen.
‘Goed zo, maar ge moet mij nu excuseren; er is werk aan de winkel, we staan meer dan acht stroken achter op schema. Dat wordt weeral nachtwerk.’ Dat laatste klonk alsof hij daar niet rouwig om was. Ze schudden mekaar de hand en net toen de leerling op het punt stond om de werkkamer te verlaten, wou de meester toch nog iets kwijt, iets dat hem duidelijk amuseerde: ‘Weet u, ik heb het eens nagevraagd, dat woord ‘pastuk’ bestaat wel. Ook als je simpele verhaaltjes en grapjes bedenkt, moet je de feiten checken.’
‘En wat betekent het dan?’
‘Dat moet ge aan de kuisvrouw vragen.’
(...)
     
  

11-03-14

Schampschot (II)


  
  
(...)
‘U zou de ramen kunnen openen.’

De meester keek de leerling door zijn grote brilglazen peilend aan. ‘Weet u, ik ben een stadsmens. Toen de zaken goed begonnen te marcheren heb ik me door mijn eerste vrouw laten overhalen om hier in het groen te komen wonen. We hebben op geen cent gezien om deze villa zo luxueus mogelijk in te richten, maar ik mis de klank van de stad. De natuur maakt me zenuwachtig, met al dat geruis en gekwetter. Wanneer ik verhalen verzin wil ik met rust gelaten worden.’
‘Ik woon in de stad, maar in een wijk die nu niet bepaald rustig kan genoemd worden.’
‘Ik weet waar u woont. Ik ken die buurt, ik ben er geboren en getogen. Er huist inderdaad een ruig, rumoerig volkje. Nadat mijn eerste vrouw overleden was, ging ik er soms terug naar toe, om er ’s avonds een pint te pakken. De drukte liet me mijn gemis aan haar vergeten…’ Hij staarde voor zich uit. Plots veranderde zijn toon: ‘Maar we zijn hier niet om het verleden naar boven te spitten. U weet, m’n beste, dat u mij, ik wik mijn woorden, ontgoocheld hebt?’
‘Dat was niet de bedoeling, meneer.’
‘Dat kan ik alleen maar hopen. Hoe lang werkt u nu voor mij?’
‘Bijna twaalf jaar.’
‘Zolang al? Dan hebt u nog de goede tijd meegemaakt, toen elk nieuw album als vanzelf op nummer één stond. We zijn nog steeds een sterk merk, maar de concurrentie is ondertussen alsmaar heviger geworden. Vandaar dat ik blijf hameren op een constante kwaliteit; we moeten blijven inspelen op een trouw publiek dat herkenbare karakters, een eenvoudig verhaal en een volkse humor verwacht. Bent u het daar mee eens?’ Zonder een antwoord af te wachten vroeg hij hem plots: ‘Als ik het me goed herinner, hebt u drie kinderen. Hoe oud is de jongste nu?’
‘Acht jaar, een meisje.’
‘Wat zou u ervan vinden moest zij in haar favoriet prentenboek plots worden geconfronteerd met het, voor haar naar ik mag hopen, onverklaarbare woord ‘kutsap’?
‘Ik heb dat woord niet gebruikt.’
‘Neen, maar wel de gespiegelde versie, ‘pastuk’.
‘Ik vond het wel grappig om een lijmtube te voorzien van een onbekende merknaam, eerst dacht ik aan ‘passtuk’, om iets dat pas stuk was te lijmen…’
‘Ik begrijp de associatie wel,’ klonk het geërgerd.
‘… en normaal gezien zou het niemand zijn opgevallen.’
‘Alles wordt opgemerkt, vooral bij iets dat succesvol is maar niet door iedereen wordt gewaardeerd.’
‘Had op de drukkerij niemand het negatief bestudeerd, dan had er geen haan naar gekraaid...’
‘Gelukkig maar dat het iémand is opgevallen vooraleer de drukproeven waren goedgekeurd. We leven in vreemde tijden; er zijn zelfs lieden die muziek achterstevoren beluisteren op zoek naar geheime boodschappen!’
‘Maar dit was bedoeld als een onschuldig grapje!’
‘Vindt u een vochtig vrouwelijk geslacht, zelfs al is het in gespiegelde versie, dan zo onschuldig?’
De leerling voelde dat hij begon te blozen, zelfs al wist hij toen nog niet dat het vocht dat twee jaar later uit zijn vrouw zou druppelen aan een ander zou kunnen toebehoren. ‘Het spijt me,’ stamelde hij.
(...)
     
  

13:43 Gepost in Proza | Commentaren (0) | Tags: schampschot, pastuk

10-03-14

Schampschot (I)

    
    
Men zal zich herinneren dat hij de vader van drie kinderen is, dat hij een man is die door zijn vrouw in de steek gelaten werd, dat hij met enkele pennentrekken een tekening kan verscherpen en bovenal dat hij als geen ander binnen de lijntjes kleuren kan. Niemand kent zijn naam en misschien is het beter zo; iemand die een naam krijgt wordt algauw een slachtoffer of een dader. Hij beschikt liever over het talent om zich anoniem en op tijd terug te trekken, met iets dat een glimlach oplevert, om bestwil.
 
Tweemaal is hij professioneel overmoedig geweest. De eerste maal ging het om een vrij onschuldig grapje: in het decor van een stripverhaal dat zich in de middeleeuwen afspeelde, had hij bij het inkten een stopcontact in een kasteelmuur toegevoegd. Toen zijn collega’s van de Studio het toevallig ontdekten, nadat het verhaal al in de krant was gepubliceerd, konden de meesten er hartelijk om lachen. De meester hield zich opvallend op de vlakte, maar toen het verhaal als album verscheen, bleek dat het stopcontact zorgvuldig was weggeretoucheerd.
De tweede maal dat hij zich een grapje permitteerde, ditmaal minder onschuldig moest hij toegeven, liet de meester het er niet bij. Zichtbaar ontstemd nodigde hij hem, als de onverbeterlijke leerling-tovenaar, uit voor een gesprek in zijn werkkamer. Dit heiligdom, waarin de meester zich vooral ’s nachts terugtrok met een fles whisky, een karton melk, twee pakjes sigaretten en een stapel schetsvellen, was normaal gezien voor niemand van het personeel toegankelijk; hoogstens voor hoog bezoek, voor aandeelhouders van de uitgeverij en eenmaal voor iemand van de Koninklijke familie.
 
Het rook er bedompt, naar sigarettenrook en verzuurd papier. De kamer hing vol met prullaria, souvenirs van verre reizen en vage oorkondes. In een hoek van het bureau waren achteloos wat potloodslijpsel en gomresten bijeengeveegd. Voor de rest was het tafelblad leeg, op een overvolle asbak na. Met een diepe zucht opende hij een kastje en haalde er een fles uit. Terwijl hij een sigaret opstak en zichzelf een glas inschonk zonder de ander iets aan te bieden, mompelde hij: ‘Misschien moet ik de poetsvrouw haar zin geven en haar minstens eenmaal per maand dit nest laten kuisen.’
‘U zou de ramen kunnen openen.’
(...)
     
  

28-02-14

Schaar Steen Papier

   
   
Eén is de hand
die slaat en zalft
om oude gezangen
helder te laten klinken.
   
Twee is de wind
die verzen prevelt, zonder
een spoor van verbijstering.
   
Drie is een oog
dat van op de zijlijn
toeziet 
of de volgende nacht
nog 
de moeite waard is.

   
   
   

17-02-14

Vader

   
   

Hij is gewassen en nog in leven,
al lang geen haar en tanden meer,
verward om alles wat buiten hem om
anders en zelfs hem stilaan vergeten is.

Waar is het werkvolk dat hem ooit
prees om zijn harde hand, nu hij
niet meer weet of hij woont waar hij is?

Alles in het nu wordt een lang geleden;
zijn lichaam wacht af, gewassen en
gevoed, zonder de naam van wat nog leeft
zich voor de geest te kunnen halen.   

 
    

(vrij naar het 12de stadsgedicht van Joke Van Leeuwen)  

24-01-14

Armslag

  
   
   
   
   
  
  
armslag.jpg
  
... in een taal die iedereen denkt
te begrijpen en die, op het eerste
zicht, enkel beelden nodig heeft.
 
   
   
   
   
   
   
    

  
  

1 2 3 4 5 6 7 8 Volgende