20-06-11

10 fragmenten uit 'Hondsster'


 

1.

‘Laat maar,’ stamelde ze, ‘het doet goed om nog eens de onstuimigheid te voelen die me herinnert aan de wellust van weleer. Geef me een kus en ga slapen. Morgen gaat het terug beter met me. Vroeger was het net hetzelfde.’
Ze keek op, de oogschaduw en mascara waren uitgelopen, wat haar op een vreemde manier jonger deed lijken. Ik nam haar hoofd in beide handen en gaf haar een kus op het voorhoofd, net zoals ik Olga daarnet had zien doen. ‘Slaapwel,’ zei ik.
‘Heb je me niets méér te zeggen?’ vroeg ze.
‘Nog niet, later misschien.’
Buiten was het ondertussen koel en klam geworden. Het erf lag er verlaten bij. Onwillekeurig keek ik naar boven; ik had verwacht een schitterende sterrenhemel te zien, maar ik kon slechts vaag enkele doffe sterren onderscheiden; zowel op aarde als in de hemel was er geen hond te bespeuren.

 

2.

Iedereen heeft recht op een verhaal, sommigen dromen er zelfs beelden bij. Toen hij nog een jongen was, voelde hij in zijn jeugdige onbezonnenheid de behoefte om zelf beelden te creëren, als uit het niets. Nu volstaat een foto, waarvan een zelfingenomen psycholoog zou kunnen beweren dat het een soort spiegel is. De amper herkenbare man in de verte zou kunnen staan voor de onbereikbare, dus onaantastbare vader, de neger voor hemzelf, de plichtsgetrouwe dienaar die hij zich altijd had gevoeld. Ach, kunstenaars vertrouwt hij voor geen cent, voor therapeuten is hij als de dood.

 

3.

Het duurde niet lang of Olga’s ademhaling werd zwaar. Uit nieuwsgierigheid raakte ik voorzichtig één van de tatoeages aan. Ik had gedacht dat de huid er hard en weerbarstig zou hebben aangevoeld, maar het tegendeel was waar: fluweelzacht, zonder enig littekenweefsel. Choukri kende blijkbaar zijn vak. Toen ik het cijfer 373 op haar schouder streelde, ging er een siddering door Olga’s lijf. Ik spreidde het laken over haar, nam de fles waarin zich nog een bodem bevond en vleide me naast haar neer. Uit ervaring wist ik dat dit bed ruim genoeg kon zijn.

 

4.

Vanaf dat ogenblik werd Hanel met rust gelaten maar geen van haar medeleerlingen dacht er nog aan om enige toenadering tot haar te zoeken. Voor haar was dit geen enkel probleem; ze ergerde zich toch maar aan hun aanwezigheid en hun flauwe praatjes. Hun vriendjes die hen na schooltijd op de hoek van de straat opwachtten interesseerden haar meer; ze kon hen bijvoorbeeld sigaretten afluizen die ze met een schijnbaar gemak inhaleerde of hen een tong draaien alsof ze haar hele leven niets anders had gedaan. Maar na verloop van tijd begonnen ook hun pokdalige tronies en ruwe handen haar snel te vervelen. Uiteindelijk verlangde ze alleen nog maar naar haar eigen kamer, naar het nest met verfrommelde lakens waarin ze haar gretigheid kon laten ontsporen en eigenhandig temmen terwijl ze een zo goed als anonieme blik dit alles goedkeurend liet gadeslaan.
Ik wil niemand pijn doen, dacht ze nog, net op het moment dat haar grootvader ziedend de kamer binnenstormde, haar van het bed sleurde en haar gebood zich aan te kleden.

 

5.

‘Had men mij op mijn achttiende niets verteld en had men mij toen niet met jou in contact gebracht, dan had ik mij waarschijnlijk gewoon een gewone zoon en broer kunnen blijven voelen.’
‘Gewoon?’
‘Ja, gewoon, sommige mensen verkiezen dat, om gewoon door het leven te gaan.’ Terwijl ik dit zei, stelde ik mijn eigen antwoord in vraag, vroeg ik mezelf af of ik wel zo’n gewoon iemand was en had willen zijn.
‘De vraag is of dat een kwestie van keuze is.’
‘Wat zou het anders zijn?’
‘Een kwestie van voorbeschikking.’ Frau K.’s antwoord klonk bijna als een vraag.
‘Ik vrees dat je dan jezelf te hoog inschat.’

 

6.

‘Dus je schaamt jezelf voor mij!?’
‘Ik erger mij. Omdat je er steeds opnieuw in slaagt om nét die dingen te doen die je omgeving in verlegenheid brengen of zullen brengen. En wat me daarbij nog het meest ergert is de vanzelfsprekendheid die je daarbij hanteert. In een normale verhouding is het de zoon die de leugens verzint om zijn moeder gerust te stellen.’
‘Ik heb nooit tegen je gelogen.’
‘Neen, maar je hebt je verborgen achter elk excuus om niet de gewone moeder te zijn die ik misschien wel had verdiend. De enige herinneringen die je me nalaat zijn zo misplaatst, dat ik ze zelfs niet kan bannen; in elk naslagwerk, in elke encyclopedie staat er wel een foto of een voetnoot die me confronteert met die obsessie van jou: jouw lichaam, als een tegelijk verrukkelijk als afschuwelijk instrument.’
‘Met dat lichaam heb ik iets willen vertellen,’ klonk het zwak.

 

7.

Er was die nacht weinig verkeer en de hemel was helder. Ik was er alleen met de sterren. Sirius, ook wel de hondsster genoemd, was nog steeds de helderste ster. Voorlopig althans want, naar men zegt, zal hij zich door zijn eigenbeweging steeds meer van ons verwijderen en almaar zwakker lijken. Zijn rol als helderste ster zal over vijf miljoen jaar door Albireo, een dubbelster in de bek van het sterrenbeeld De Zwaan, overgenomen worden. Zoals alles is ook wat oneindig ver schijnt tijdelijk.

 

8.

Frans liet de twee dvd’s met duidelijke weerzin in de doos vallen. Ik hoorde een plastic hoesje barsten. Hij keek me onderzoekend aan: ‘Als ik je een goede raad mag geven, zorg dan dat je dit materiaal zo snel mogelijk kwijt bent.’
‘Maar ik heb het net geërfd.’
‘Dan zou ik zo snel mogelijk die familie de rug toekeren en me laten onterven…’
‘Maar het is belangrijk archiefmateriaal, over de avant-garde in de jaren zestig, over een belangrijke strekking in de moderne westerse kunst.’
‘Dan zegt mijn gezond boerenverstand dat het hoog tijd wordt om te emigreren naar een ver, streng islamitisch land.’

 

9.

Ach ja, de obligate performance, een naïef stukje theater waarmee de kunstenaar zichzelf de rol van mythologische held zou toebedelen en zijn, met eigen lichaamssappen doordrenkte schilderijtjes een mysterieuze, maar vooral commerciële meerwaarde kon geven. Ik opende het raam en keek naar beneden: de zak restafval stond er nog, met een inhoud die elk mysterie overtrof.

 

10.

Eén van de honden die stond te blaffen aan de container en er af en toe tegen opsprong, ergerde Marcel al een hele tijd. Tot hij zich plots realiseerde dat de hond misschien wat had geroken dat zijn gejaagdheid verklaarde: bloed, vlees, iets dat leefde of net niet… Marcel stormde op de container af, schopte naar de hond die zich jankend uit de voeten maakte en schoof het deksel omhoog. De stank die er uit opsteeg deed hem naar adem snakken, maar buiten een lading lege mosselschelpen was de container zo goed als leeg. Vanaf dat moment had de onrust Marcel te pakken; de hele voormiddag liep hij nerveus om zich heen kijkend door de wijk. Vooral de directe omgeving van het dok trok zijn aandacht. Achter elke lichter die was aangemeerd, keek hij over de kade, of er tussen twee schepen, tussen het zwerfvuil dat er onherroepelijk bleef drijven, zich geen drama zou prijsgeven.
    

  
    

De commentaren zijn gesloten.