31-10-15

Schachten (werkwoord) 3/3

   
   

Het meisje begrijpt het nog steeds niet, heer kramp des te meer.
Als toevallige voorbijganger wil ik het niet begrijpen: wanneer ik
hem uitscheld voor beul, krullen zijn lippen van eigenwaan. Volgens
zijn afkomst is dit de geuzennaam die hij altijd al heeft nagestreefd.

Krijs is wijselijk gevlucht en ontfermt zich over de jongen die rillend
herstelt van de radeloosheid waarmee men de hel tracht te vergeten;
wat een lichaam afscheidt haalt moederlijke instincten naar boven.

Kramp blijft halsstarrig brullen, vaderlijke gevoelens zijn vooralsnog
niet aan hem besteed; een schacht (een meisje bovendien) heeft pas
bestaansrecht als een fragment dat de ondergeschiktheid aanvaardt,
als een onooglijk iets dat de werkelijkheid walgend mag ondergaan.
   
   
   
   
   

De commentaren zijn gesloten.