21-06-16

Schaar

   
   
   

          Wanneer ik hem met grote ogen rond zie kijken, ben ik er zeker van dat hij de dingen anders ziet dan ik.
Schoorvoetend schuifelt hij het zomerhuisje in. Met bevende handen wankelt hij naar een evenwicht, van de deurklink naar een commode, naar de rand van de eettafel, waar hij zich ontredderd op een stoel laat neerploffen met een lege blik die zich uiteindelijk vragend naar mij richt. Omdat ik op dat moment geen zinnig antwoord kan bedenken, wend ik me tot de taxichauffeur die, met de twee zware koffers en het opgeplooide looprek naast zich, onwennig op het terras staat te wachten op een teken dat hij kan beschikken. Ik haal mijn portefeuille boven en betaal de rit. Het wisselgeld dat ik met een afwerend gebaar weiger, is als fooi ruim voldoende, vermoed ik.
Als uit het niets stelt een donker gebruinde, zo goed als kaalgeschoren jongen van amper twintig, gekleed in een ruim zittende, helwitte outfit, een T-shirt en bermuda met daarop het oranje logo van het resort, zich breed glimlachend voor als de receptionist. Hij spreekt vloeiend Nederlands met een weerbarstig accent dat een ver, koloniaal verleden verraadt. Ongevraagd verdwijnt hij met onze valiezen naar het verduisterde gedeelte van de woning waar het, hoop ik, iets frisser is.
In het huisje zijn alle muren in blauwe en turquoise tinten geschilderd. Het meubilair is rudimentair, in een verweerde houtsoort die refereert naar de ruwheid van het vulkanische landschap waar de taxi ons vanaf het vliegveld doorheen heeft gevoerd. Her en der hangen er kaders met vluchtig geaquarelleerde vruchten en planten waarop het eiland zich beroemt. Waarschijnlijk is elk huisje op dezelfde manier ingericht, toch stralen de ingebouwde halogeenspots een gevoel uit dat hier iets uitzonderlijks wordt belicht. Ik begrijp het effect dat de binnenhuisarchitect, een vrouw daar ben ik quasi zeker van, heeft beoogd. Ik kan er mee leven, zal me er zelfs thuis kunnen voelen, voor de tien dagen die me hier zullen resten.
‘En, wat vind je er van?’ vraag ik.
Moeizaam antwoordt hij, bijna fluisterend: ‘Proper, ’t is hier proper…’
Ikzelf voel me vuil en bezweet na een vlucht die uiteindelijk meer dan een half etmaal heeft geduurd, maar ik ruik vooral wat zich al die tijd heeft genesteld in zijn luier.
‘Heb je honger?’
‘Een beetje.’
Dat ‘beetje’ roept de echo van vroeger op;  hij heeft geleerd om nooit iets buitensporigs te verlangen, om de tering naar de nering te zetten, in alle nederigheid die hem en zijn met een oorlogsjeugd beladen generatie is ingelepeld.

          De jongen van de receptie is ondertussen teruggekeerd. Terloops kijkt hij op zijn smartphone, negeert de oude man aan tafel en richt zich nadrukkelijk tot mij: ‘Is het goed dat ik u het huis en de faciliteiten even voorstel?’ Zonder mijn antwoord af te wachten, draait hij zich om en troont hij me naar de keuken naast de woonkamer. Uitvoerig trekt hij kasten en schuiven open en beschrijft de inhoud en het gebruik van de keukenapparaten. Wanneer hij de ijskast opent en overloopt wat op mijn verlanglijstje stond, is het vooral de fles oude jenever die me gerust stelt. Van de twee slaapkamers interesseert me vooral de andere, die met het ergonomische bed en de rode knop waarmee dag en nacht beroep kan worden gedaan op verpleegkundige zorg.
‘U kan gebruik maken van het restaurant, maar dan moet u minstens vier uur op voorhand reserveren. Dat kan telefonisch of per mail. U kan natuurlijk ook gewoon even binnenspringen; de receptie bevindt zich aan de overkant.’ Hij neemt me mee naar een raam, opent de luiken en wijst naar een helwit Mexicaans aandoend kerkje, als uit een goedkope spaghettiwestern. ‘Dat is de ingang van het hotel.’
Als hij mijn verrassing merkt, kijkt hij me bijna tartend aan: ‘Alles is hier een beetje nep, maar wel supermodern en comfortabel. We bieden onze klanten alle mogelijke luxe: er is een tropisch openluchtzwembad met individuele stoom- en bubbelbaden, u kan beroep doen op de personal assistants in onze fitnessruimte, aangepast aan mindermobiele personen. Zelfs voor ander, meer mobieler genot kunnen we zorgen.’ Hij knipoogt en lacht een rij wit gebleekte tanden bloot, geeft me zijn kaartje en grinnikt: ‘Ik ben bereikbaar tussen acht en tweeëntwintig uur, voor en na zorg ik voor mezelf. Zoals gevraagd komt er ’s morgens en ’s avonds een verpleger langs om zich te ontfermen over ‘mijnheer’.’
Het zelfverzekerde toontje van de jongen begint me te ergeren; tijdens zijn beroepsopleiding Toerisme was hij wis en zeker het haantje, maar vooral het ettertje van de klas, denk ik.

          Vader kijkt met ogen die niets schijnen te verwachten voor zich uit. Ook voor mij is alles hier onbekend, maar voor hem is er geen plaats voor verwondering. Ik vrees dat hij zich eerder angstig voelt, niet de kinderlijke angst om de weg kwijt te raken maar het wantrouwen om ergens te eindigen zonder weg terug.
‘Wil je iets drinken?’ Ik zet hem een glas water met zijn pillen voor. Routineus neemt hij zijn medicatie en brengt hij trillend het glas naar zijn mond. Het water sijpelt uit zijn mondhoeken. Wanneer hij een zakdoek probeert op te diepen uit zijn broekzak, zeg ik: ‘Geeft niet, het is maar water. Je bent moe; het was een vermoeiende reis.’
‘Hoe bedoelt ge?’ mompelt hij.
‘Wel, we hebben al bij al meer dan vier uur gevlogen. Samen met het in- en uitchecken en de taxiritten, zijn we meer dan een halve dag onderweg geweest.’
Hij reageert niet, het is duidelijk dat hij zich nauwelijks iets herinnert van dit avontuur. ‘Waar is de mama?’ vraagt hij tenslotte.
‘Die is voor een weekje met een vriendin naar Blankenberge.’
‘Ik wist niet dat zij nog vriendinnen had.’ Het klinkt honend; ook hier, met meer dan drieduizend kilometer tussen hen beiden, klinkt het eeuwig, onderhuids gewedijver door.
Wanneer zijn glas voor de helft leeg is, stel ik hem voor om even op bed te gaan liggen, een voorstel waarop hij gretig ingaat. Terwijl ik hem toedek, zeg ik hem dat we na zijn dutje naar de haven kunnen gaan om een kleinigheidje te eten en vanop de steiger naar de oceaan te kijken.
‘Ik wist niet dat Blankenberge aan een oceaan ligt,’ is zijn laconieke antwoord.
‘We zijn hier op een eiland ter hoogte van de Sahara.’
‘Toch heb ik het koud.’ Al lijkt dit hier en nu onwaarschijnlijk, ik kan het begrijpen; een oud lichaam reageert anders op de prikkels van een onbekende omgeving. Dat heeft de dokter me duidelijk gemaakt.
‘Maar voelt ge u hier al een beetje op uw gemak?’
‘Alles is beter dan 't ziekenhuis.’
   
   
   

00:32 Gepost in Proza | Commentaren (0) | Tags: vruchtgebruik, schaar

De commentaren zijn gesloten.