21-06-16

Schaar

   
   
   

          Wanneer ik hem met grote ogen rond zie kijken, ben ik er zeker van dat hij de dingen anders ziet dan ik.
Schoorvoetend schuifelt hij het zomerhuisje in. Met bevende handen wankelt hij naar een evenwicht, van de deurklink naar een commode, naar de rand van de eettafel, waar hij zich ontredderd op een stoel laat neerploffen met een lege blik die zich uiteindelijk vragend naar mij richt. Omdat ik op dat moment geen zinnig antwoord kan bedenken, wend ik me tot de taxichauffeur die, met de twee zware koffers en het opgeplooide looprek naast zich, onwennig op het terras staat te wachten op een teken dat hij kan beschikken. Ik haal mijn portefeuille boven en betaal de rit. Het wisselgeld dat ik met een afwerend gebaar weiger, is als fooi ruim voldoende, vermoed ik.
Als uit het niets stelt een donker gebruinde, zo goed als kaalgeschoren jongen van amper twintig, gekleed in een ruim zittende, helwitte outfit, een T-shirt en bermuda met daarop het oranje logo van het resort, zich breed glimlachend voor als de receptionist. Hij spreekt vloeiend Nederlands met een weerbarstig accent dat een ver, koloniaal verleden verraadt. Ongevraagd verdwijnt hij met onze valiezen naar het verduisterde gedeelte van de woning waar het, hoop ik, iets frisser is.
In het huisje zijn alle muren in blauwe en turquoise tinten geschilderd. Het meubilair is rudimentair, in een verweerde houtsoort die refereert naar de ruwheid van het vulkanische landschap waar de taxi ons vanaf het vliegveld doorheen heeft gevoerd. Her en der hangen er kaders met vluchtig geaquarelleerde vruchten en planten waarop het eiland zich beroemt. Waarschijnlijk is elk huisje op dezelfde manier ingericht, toch stralen de ingebouwde halogeenspots een gevoel uit dat hier iets uitzonderlijks wordt belicht. Ik begrijp het effect dat de binnenhuisarchitect, een vrouw daar ben ik quasi zeker van, heeft beoogd. Ik kan er mee leven, zal me er zelfs thuis kunnen voelen, voor de tien dagen die me hier zullen resten.
‘En, wat vind je er van?’ vraag ik.
Moeizaam antwoordt hij, bijna fluisterend: ‘Proper, ’t is hier proper…’
Ikzelf voel me vuil en bezweet na een vlucht die uiteindelijk meer dan een half etmaal heeft geduurd, maar ik ruik vooral wat zich al die tijd heeft genesteld in zijn luier.
‘Heb je honger?’
‘Een beetje.’
Dat ‘beetje’ roept de echo van vroeger op;  hij heeft geleerd om nooit iets buitensporigs te verlangen, om de tering naar de nering te zetten, in alle nederigheid die hem en zijn met een oorlogsjeugd beladen generatie is ingelepeld.

          De jongen van de receptie is ondertussen teruggekeerd. Terloops kijkt hij op zijn smartphone, negeert de oude man aan tafel en richt zich nadrukkelijk tot mij: ‘Is het goed dat ik u het huis en de faciliteiten even voorstel?’ Zonder mijn antwoord af te wachten, draait hij zich om en troont hij me naar de keuken naast de woonkamer. Uitvoerig trekt hij kasten en schuiven open en beschrijft de inhoud en het gebruik van de keukenapparaten. Wanneer hij de ijskast opent en overloopt wat op mijn verlanglijstje stond, is het vooral de fles oude jenever die me gerust stelt. Van de twee slaapkamers interesseert me vooral de andere, die met het ergonomische bed en de rode knop waarmee dag en nacht beroep kan worden gedaan op verpleegkundige zorg.
‘U kan gebruik maken van het restaurant, maar dan moet u minstens vier uur op voorhand reserveren. Dat kan telefonisch of per mail. U kan natuurlijk ook gewoon even binnenspringen; de receptie bevindt zich aan de overkant.’ Hij neemt me mee naar een raam, opent de luiken en wijst naar een helwit Mexicaans aandoend kerkje, als uit een goedkope spaghettiwestern. ‘Dat is de ingang van het hotel.’
Als hij mijn verrassing merkt, kijkt hij me bijna tartend aan: ‘Alles is hier een beetje nep, maar wel supermodern en comfortabel. We bieden onze klanten alle mogelijke luxe: er is een tropisch openluchtzwembad met individuele stoom- en bubbelbaden, u kan beroep doen op de personal assistants in onze fitnessruimte, aangepast aan mindermobiele personen. Zelfs voor ander, meer mobieler genot kunnen we zorgen.’ Hij knipoogt en lacht een rij wit gebleekte tanden bloot, geeft me zijn kaartje en grinnikt: ‘Ik ben bereikbaar tussen acht en tweeëntwintig uur, voor en na zorg ik voor mezelf. Zoals gevraagd komt er ’s morgens en ’s avonds een verpleger langs om zich te ontfermen over ‘mijnheer’.’
Het zelfverzekerde toontje van de jongen begint me te ergeren; tijdens zijn beroepsopleiding Toerisme was hij wis en zeker het haantje, maar vooral het ettertje van de klas, denk ik.

          Vader kijkt met ogen die niets schijnen te verwachten voor zich uit. Ook voor mij is alles hier onbekend, maar voor hem is er geen plaats voor verwondering. Ik vrees dat hij zich eerder angstig voelt, niet de kinderlijke angst om de weg kwijt te raken maar het wantrouwen om ergens te eindigen zonder weg terug.
‘Wil je iets drinken?’ Ik zet hem een glas water met zijn pillen voor. Routineus neemt hij zijn medicatie en brengt hij trillend het glas naar zijn mond. Het water sijpelt uit zijn mondhoeken. Wanneer hij een zakdoek probeert op te diepen uit zijn broekzak, zeg ik: ‘Geeft niet, het is maar water. Je bent moe; het was een vermoeiende reis.’
‘Hoe bedoelt ge?’ mompelt hij.
‘Wel, we hebben al bij al meer dan vier uur gevlogen. Samen met het in- en uitchecken en de taxiritten, zijn we meer dan een halve dag onderweg geweest.’
Hij reageert niet, het is duidelijk dat hij zich nauwelijks iets herinnert van dit avontuur. ‘Waar is de mama?’ vraagt hij tenslotte.
‘Die is voor een weekje met een vriendin naar Blankenberge.’
‘Ik wist niet dat zij nog vriendinnen had.’ Het klinkt honend; ook hier, met meer dan drieduizend kilometer tussen hen beiden, klinkt het eeuwig, onderhuids gewedijver door.
Wanneer zijn glas voor de helft leeg is, stel ik hem voor om even op bed te gaan liggen, een voorstel waarop hij gretig ingaat. Terwijl ik hem toedek, zeg ik hem dat we na zijn dutje naar de haven kunnen gaan om een kleinigheidje te eten en vanop de steiger naar de oceaan te kijken.
‘Ik wist niet dat Blankenberge aan een oceaan ligt,’ is zijn laconieke antwoord.
‘We zijn hier op een eiland ter hoogte van de Sahara.’
‘Toch heb ik het koud.’ Al lijkt dit hier en nu onwaarschijnlijk, ik kan het begrijpen; een oud lichaam reageert anders op de prikkels van een onbekende omgeving. Dat heeft de dokter me duidelijk gemaakt.
‘Maar voelt ge u hier al een beetje op uw gemak?’
‘Alles is beter dan 't ziekenhuis.’
   
   
   

00:32 Gepost in Proza | Commentaren (0) | Tags: vruchtgebruik, schaar

27-08-15

Schaafwond

   
   

Wanneer men twijfelt, rekt de tijd zich. Vooral nachten worden trager; de slaap wordt uitgesteld. De dagen spelen zich af tussen plicht en ongeloof.

Ze lag al een tijd in bed toen hij ging slapen. Zonder zich naar hem om te draaien, vroeg ze: ‘Ben jij ooit verliefd geweest op een ander?’ De vraag klonk alsof er lang over was nagedacht.
Behoedzaam overwoog hij een antwoord, dat zich hoe dan ook, dat wist hij, tegen hem zou keren: ‘Neen.’
‘Dat geloof ik niet. Is er in die lange tijd dat wij samen zijn, nooit een ander geweest die jou kon verleiden?’
‘Jawel…’
‘Zie je wel!’
‘Laat me uitspreken, ik bedoel: er zijn wel vrouwen geweest die ik aantrekkelijk vond en waar ik graag mee omging.’
‘Zoals?’ Ze draaide zich op haar rug en staarde afwachtend naar het plafond.
Koortsachtig begon hij in zijn herinneringen te graven, alsof hij zich moest verantwoorden, alsof hij, wanneer hij geen concrete feiten kon opbiechten, ongeloofwaardig zou overkomen.

   
   

tony_oursler_untitled_talking_photograph_1024x768.jpg
Tony Oursler - Untitled (talking photograph) - 1996

   
   

 

 

 

14-08-15

Portret

   
   
  
Vanaf dat ogenblik werd Hanel met rust gelaten; geen van haar medeleerlingen dacht er nog aan om toenadering tot haar te zoeken. Voor haar was dit geen probleem; ze ergerde zich toch maar aan het gekir en hun flauwe praatjes. De vriendjes van haar klasgenoten die hen na schooltijd op de hoek van de straat opwachtten, interesseerden haar meer. Ze kon hen bijvoorbeeld sigaretten afluizen die ze met een schijnbaar gemak inhaleerde of hen een tong draaien alsof ze haar hele leven niets anders had gedaan. Maar na verloop van tijd begonnen ook hun pokdalige tronies en ruwe handen haar snel te vervelen. Uiteindelijk verlangde ze alleen nog maar naar haar eigen kamer, naar het nest met verfrommelde lakens waarin ze haar gretigheid kon laten ontsporen en eigenhandig temmen terwijl ze een zo goed als anonieme blik dit alles goedkeurend liet gadeslaan. Ik wil niemand pijn doen, dacht ze nog, net op het moment dat haar grootvader ziedend de kamer binnenstormde, haar van het bed sleurde en haar gebood zich aan te kleden.

 

 

portret van een jongedame v+a.jpg

Portret van een jongedame - Wilhelm Amberg - 1858

  
  
  
  

 

29-07-15

Vruchtgebruik 1

   
   

Ruzie was alomtegenwoordig in huis. Geen openlijk gescheld, noch slagen en verwondingen, niets dat letterlijk bij de haren werd getrokken, wel een constante onvrede die onderhuids werd uitgespeeld, bij gebrek aan beter tegenover de meest nabije: de wederhelft óf het enige kind dat ik was. Een strijd die mompelend werd gevoerd, tussen neus en lippen, tegenover een onzichtbare in huis die net zo hardhorig werd geacht als de ruziemaker zelf. Van jongs af aan heb ik geleerd om dit getouwtrek lijdzaam te ondergaan.
Ook wanneer er bezoekers in huis waren, werd het spel gespeeld, met een verbetenheid waarvoor ik me enkel schamen kon. Nooit heb ik mijn ouders weten genieten, alles was een gevecht dat ze bij voorbaat verloren door een gebrek aan intimiteit en waardering. Geen tranen tonen, geen nuance, geen genade noch compassie; het beste was niet goed genoeg of bleek onbetaalbaar, want alles werd uitgedrukt in geld. Wat niets opbracht was een obstakel dat hun eeuwig liefdeloos getwist, hun onderlinge rivaliteit met elkaars werkelijkheid enkel voeden kon.
Misschien ben ik op mijn beurt te streng in mijn oordeel, maar zo is het mij nu eenmaal geleerd.
   
   
 vruchtgebruik,onvrede,onderhuids,schaamte,oordeel                        Junge komm bald wieder - Werner Mannaers - 1994
 
   
   
 

13-03-14

Schampschot (IV)

  
  
(...)
Terwijl hij zijn tekengerief opborg, was het opmerkelijk stil in de Studio. Iedereen zat naarstig gebogen over zijn tekentafel te krassen en te gommen. Ivo, de oude rot van het gezelschap, die zich hoofdzakelijk bezighield met de scenario’s en de ruwe schetsen van een spin-offreeks die opvallend genoeg enkel in Duitsland razend populair was, maakte een fotokopie. Toen dat werkje er op zat, kwam hij behoedzaam op hem af en fluisterde: ‘En? Heeft hij je de levieten gelezen?’

‘Zoiets, ja.’
‘Ben je al weg? Hij heeft jou toch niet ontslagen?’
‘Zo erg was het nu ook niet. Hij wou alleen even de puntjes op de i zetten.’
‘Trek het je niet aan, dat is mij ook al overkomen en zie, ik zit hier nog steeds. Ach, we kennen hem; als je een flauwe grap voor de zoveelste keer gebruikt, is er geen vuiltje aan de lucht, maar o wee als je een decolleté wat te laag hebt getekend, dàn moet er worden ingegrepen. Naar het schijnt heeft hij testamentair laten optekenen dat in de verhalen die na zijn dood verschijnen geen seks en grof geweld mag voorkomen.’
‘Behalve als het geld zou opbrengen,’ klonk het bijna anoniem vanachter een tekentafel. In elk gezelschap is er een rebel, maar vandaag had hij geen zin om daarin mee te gaan.
‘Heeft iemand Malaya gezien?’ vroeg hij vooraleer hij vertrok.
‘Daarnet was ze het reftertje aan het schoonmaken,’ zei de anonieme stem, ‘en maar schudden met die prachtige borstjes.’ Er werd gegniffeld.
 
Tien jaar geleden was de Filippijnse als jong meisje naar België afgereisd om met de dertig jaar oudere tuinman van de meester te huwen. Als huwelijksgeschenk had deze haar duur trouwkleed bekostigd en haar een deeltijdse betrekking als poetsvrouw aangeboden.
Hij vond haar inderdaad in het reftertje terwijl ze de afwas deed.
‘Dag Malaya, naar het schijnt kan jij me vertellen wat ‘pastuk’ betekent?’
Ze keek hem verlegen aan en droogde haar handen af: ‘Wie heeft jou dat verteld?’ Giechelend benadrukte ze elke lettergreep op een vreemde zangerige toon. Na tien jaar was ze nog steeds onzeker over haar Nederlands, alhoewel ze zich behoorlijk verstaanbaar kon maken.
‘De meester.’
‘Vreemd, hij is me niks gevraagd.’
‘Maar je weet wat het woord betekent?’
Ze aarzelde. ‘In mijn oude moedertaal, het Tagalog, betekent het zoiets als wonde, maar niet diep in de huid.’
‘Een schaafwonde?’
‘Ja, dat is het, maar het betekent ook nog iets anders, wanneer iets maar eventjes geraakt wordt…’
Hij dacht na. ‘Een schampschot?’
‘Dat woord ken ik niet. Zou kunnen. Waarom is het belangrijk?’
Hij probeerde haar duidelijk te maken dat hij het woord eerder toevallig had verzonnen en had gebruikt in een tekening. Over de gespiegelde betekenis repte hij met geen woord.
‘Elk woord heeft een betekenis, zoals mijn naam Malaya, dat betekent ‘vrij’. Wat betekent jouw naam?’
‘Dat weet ik niet, ik zou het eens moeten opzoeken… In ieder geval heeft het niets met vrijheid te maken, denk ik. En, voel jij je vrij?’
Ze keek hem beteuterd aan. ‘Toen ik mijn familie achterliet dacht ik eindelijk vrij te kunnen zijn. Ik dacht dat in België alle mensen vrij zijn, maar dat is niet zo, ze zijn zelfs niet blij. Domme Belgen!’ Ze begon te proesten terwijl ze een hand op haar mond drukte en haar lijfje liet schudden. ‘Dat laatste zeg ik maar om jou te plagen,’ klonk het schalks.
  
  
Men zal zich herinneren dat hij als geen ander binnen de lijntjes kleuren kan. Niemand kent zijn naam en misschien is het beter zo; iemand die een naam krijgt wordt algauw een slachtoffer of een dader. Hij beschikt liever over het talent om zich anoniem en op tijd terug te trekken, met iets dat een glimlach oplevert, om bestwil.
  
  
  

12-03-14

Schampschot (III)

  
  
(...)
‘Het spijt me,’ stamelde hij.

De meester dronk zijn glas leeg en stak een zoveelste sigaret op. ‘Ik ben bereid om uw excuses te aanvaarden, maar ik wil wel een aantal zaken duidelijk stellen, àls ge al voor mij wilt blijven werken. Dat laatste hoop ik, want laat me duidelijk wezen, wij zijn meer dan tevreden over uw werk. Ik kan me voorstellen dat ge na jaren misschien andere ambities koestert, dat ge een eigen reeks zou willen opstarten bijvoorbeeld. Aan tekentalent ontbreekt het u niet en er zijn er meer die in het verleden hun eigen gang zijn gegaan. Ik heb hen daarbij zelfs aangemoedigd en in de mate van het mogelijke gesteund. Zoals ge weet is onze grootste concurrent een voormalige tekenaar van mij. Ik gun het hem nog altijd van harte en hij is me er nog steeds dankbaar voor… Loyaliteit is belangrijk in ons vak. Er zijn er die ons neerbuigend beschouwen als simpele krabbelaars voor een ongeletterd publiek, maar ondertussen bereiken wij wél miljoenen lezers, al decennialang. Vandaar mijn vraag: zijt ge bereid om voor mij te blijven werken, onder mijn voorwaarde, dat wil zeggen: dat ík de grapjes verzin?’
De leerling antwoordde bevestigend. Wat kon hij anders; hij had een gezin, een huis dat moest worden afbetaald en mistte de moed en de fantasie om zijn eigen gangen te gaan.
‘Dat is dan afgesproken. Ge moogt de rest van de dag beschikken. Ga naar huis en vertel uw vrouw het goede nieuws.’ Hij stak een sigaret op en vervolgde zelfgenoegzaam: ‘Overigens, zover ik mij herinner heb ik uw vrouw hier nog nooit gezien. Ge moet haar eens uitnodigen, dan kan ze kennismaken met de Studio en mijn Mieke.’
De leerling betwijfelde of die twee mekaar zouden kunnen vinden. Hij kon zijn vrouw moeilijk voorstellen in het gezelschap van de tweede vrouw van de meester die uit verveling de godganse dag in een ligstoel aan het zwembad kruiswoordraadsels invulde met een fles porto binnen handbereik, maar hij antwoordde dat hij de uitnodiging zou overbrengen.
‘Goed zo, maar ge moet mij nu excuseren; er is werk aan de winkel, we staan meer dan acht stroken achter op schema. Dat wordt weeral nachtwerk.’ Dat laatste klonk alsof hij daar niet rouwig om was. Ze schudden mekaar de hand en net toen de leerling op het punt stond om de werkkamer te verlaten, wou de meester toch nog iets kwijt, iets dat hem duidelijk amuseerde: ‘Weet u, ik heb het eens nagevraagd, dat woord ‘pastuk’ bestaat wel. Ook als je simpele verhaaltjes en grapjes bedenkt, moet je de feiten checken.’
‘En wat betekent het dan?’
‘Dat moet ge aan de kuisvrouw vragen.’
(...)
     
  

11-03-14

Schampschot (II)


  
  
(...)
‘U zou de ramen kunnen openen.’

De meester keek de leerling door zijn grote brilglazen peilend aan. ‘Weet u, ik ben een stadsmens. Toen de zaken goed begonnen te marcheren heb ik me door mijn eerste vrouw laten overhalen om hier in het groen te komen wonen. We hebben op geen cent gezien om deze villa zo luxueus mogelijk in te richten, maar ik mis de klank van de stad. De natuur maakt me zenuwachtig, met al dat geruis en gekwetter. Wanneer ik verhalen verzin wil ik met rust gelaten worden.’
‘Ik woon in de stad, maar in een wijk die nu niet bepaald rustig kan genoemd worden.’
‘Ik weet waar u woont. Ik ken die buurt, ik ben er geboren en getogen. Er huist inderdaad een ruig, rumoerig volkje. Nadat mijn eerste vrouw overleden was, ging ik er soms terug naar toe, om er ’s avonds een pint te pakken. De drukte liet me mijn gemis aan haar vergeten…’ Hij staarde voor zich uit. Plots veranderde zijn toon: ‘Maar we zijn hier niet om het verleden naar boven te spitten. U weet, m’n beste, dat u mij, ik wik mijn woorden, ontgoocheld hebt?’
‘Dat was niet de bedoeling, meneer.’
‘Dat kan ik alleen maar hopen. Hoe lang werkt u nu voor mij?’
‘Bijna twaalf jaar.’
‘Zolang al? Dan hebt u nog de goede tijd meegemaakt, toen elk nieuw album als vanzelf op nummer één stond. We zijn nog steeds een sterk merk, maar de concurrentie is ondertussen alsmaar heviger geworden. Vandaar dat ik blijf hameren op een constante kwaliteit; we moeten blijven inspelen op een trouw publiek dat herkenbare karakters, een eenvoudig verhaal en een volkse humor verwacht. Bent u het daar mee eens?’ Zonder een antwoord af te wachten vroeg hij hem plots: ‘Als ik het me goed herinner, hebt u drie kinderen. Hoe oud is de jongste nu?’
‘Acht jaar, een meisje.’
‘Wat zou u ervan vinden moest zij in haar favoriet prentenboek plots worden geconfronteerd met het, voor haar naar ik mag hopen, onverklaarbare woord ‘kutsap’?
‘Ik heb dat woord niet gebruikt.’
‘Neen, maar wel de gespiegelde versie, ‘pastuk’.
‘Ik vond het wel grappig om een lijmtube te voorzien van een onbekende merknaam, eerst dacht ik aan ‘passtuk’, om iets dat pas stuk was te lijmen…’
‘Ik begrijp de associatie wel,’ klonk het geërgerd.
‘… en normaal gezien zou het niemand zijn opgevallen.’
‘Alles wordt opgemerkt, vooral bij iets dat succesvol is maar niet door iedereen wordt gewaardeerd.’
‘Had op de drukkerij niemand het negatief bestudeerd, dan had er geen haan naar gekraaid...’
‘Gelukkig maar dat het iémand is opgevallen vooraleer de drukproeven waren goedgekeurd. We leven in vreemde tijden; er zijn zelfs lieden die muziek achterstevoren beluisteren op zoek naar geheime boodschappen!’
‘Maar dit was bedoeld als een onschuldig grapje!’
‘Vindt u een vochtig vrouwelijk geslacht, zelfs al is het in gespiegelde versie, dan zo onschuldig?’
De leerling voelde dat hij begon te blozen, zelfs al wist hij toen nog niet dat het vocht dat twee jaar later uit zijn vrouw zou druppelen aan een ander zou kunnen toebehoren. ‘Het spijt me,’ stamelde hij.
(...)
     
  

13:43 Gepost in Proza | Commentaren (0) | Tags: schampschot, pastuk

10-03-14

Schampschot (I)

    
    
Men zal zich herinneren dat hij de vader van drie kinderen is, dat hij een man is die door zijn vrouw in de steek gelaten werd, dat hij met enkele pennentrekken een tekening kan verscherpen en bovenal dat hij als geen ander binnen de lijntjes kleuren kan. Niemand kent zijn naam en misschien is het beter zo; iemand die een naam krijgt wordt algauw een slachtoffer of een dader. Hij beschikt liever over het talent om zich anoniem en op tijd terug te trekken, met iets dat een glimlach oplevert, om bestwil.
 
Tweemaal is hij professioneel overmoedig geweest. De eerste maal ging het om een vrij onschuldig grapje: in het decor van een stripverhaal dat zich in de middeleeuwen afspeelde, had hij bij het inkten een stopcontact in een kasteelmuur toegevoegd. Toen zijn collega’s van de Studio het toevallig ontdekten, nadat het verhaal al in de krant was gepubliceerd, konden de meesten er hartelijk om lachen. De meester hield zich opvallend op de vlakte, maar toen het verhaal als album verscheen, bleek dat het stopcontact zorgvuldig was weggeretoucheerd.
De tweede maal dat hij zich een grapje permitteerde, ditmaal minder onschuldig moest hij toegeven, liet de meester het er niet bij. Zichtbaar ontstemd nodigde hij hem, als de onverbeterlijke leerling-tovenaar, uit voor een gesprek in zijn werkkamer. Dit heiligdom, waarin de meester zich vooral ’s nachts terugtrok met een fles whisky, een karton melk, twee pakjes sigaretten en een stapel schetsvellen, was normaal gezien voor niemand van het personeel toegankelijk; hoogstens voor hoog bezoek, voor aandeelhouders van de uitgeverij en eenmaal voor iemand van de Koninklijke familie.
 
Het rook er bedompt, naar sigarettenrook en verzuurd papier. De kamer hing vol met prullaria, souvenirs van verre reizen en vage oorkondes. In een hoek van het bureau waren achteloos wat potloodslijpsel en gomresten bijeengeveegd. Voor de rest was het tafelblad leeg, op een overvolle asbak na. Met een diepe zucht opende hij een kastje en haalde er een fles uit. Terwijl hij een sigaret opstak en zichzelf een glas inschonk zonder de ander iets aan te bieden, mompelde hij: ‘Misschien moet ik de poetsvrouw haar zin geven en haar minstens eenmaal per maand dit nest laten kuisen.’
‘U zou de ramen kunnen openen.’
(...)
     
  

20-11-13

Een aanzet

   
   
   

perkament.jpeg

   
   
    

12-09-12

Smetvrees

   
   
Iedereen heeft recht op een verhaal, sommigen dromen er zelfs beelden bij. Toen hij nog een jongen was, voelde hij in zijn jeugdige onbezonnenheid de behoefte om zelf beelden te creëren, als uit het niets. Nu volstaat een foto, waarvan een zelfingenomen psycholoog zou kunnen beweren dat het een soort spiegel is. De amper herkenbare man in de verte zou dan staan voor de onbereikbare, dus onaantastbare vader, de neger op de voorgrond voor hemzelf, de plichtsgetrouwe dienaar die hij zich altijd heeft gevoeld. Ach, kunstenaars vertrouwt hij voor geen cent, voor therapeuten is hij als de dood.  (p. 64)
   
    

00:11 Gepost in Proza, Teksten | Commentaren (0) | Tags: hondsster, smetvrees, markt, strijd

11-07-12

Schouwtoneel

 

Hieronder de proloog van mijn volgende roman 'Folklore' die, als alles volgens plan verloopt, in het voorjaar 2013 verschijnt bij Houtekiet.

 

         Er hing belang in de lucht. Om alles vlekkeloos te laten verlopen werd een gespecialiseerd bedrijf ingeschakeld. Vier weken terug had het aan meer dan honderd uitverkorenen een karig opgestelde uitnodiging verzonden. Op handgeschept papier was op de voorzijde enkel het nummer 7 gedrukt, op de achterzijde de dag en het uur, de locatie, het telefoonnummer en de toegestane periode om te antwoorden, naast vier bondige maar niet mis te verstane richtlijnen. Het feest zou stipt om acht uur ‘s avonds aanvangen, minderjarigen zouden niet worden toegelaten, de dresscode was ‘zwart’ en na afloop zou iedereen, ongeacht de afstand, met een taxi naar huis worden gebracht. Blijkbaar werd de minimale, bijna strenge aanpak van de invitatie geapprecieerd; meer dan vijfennegentig procent van de genodigden bevestigde zijn komst binnen de toegestane termijn. De overige vijf procent werd onherroepelijk, sans rancune, van de lijst geschrapt. De catering zou worden verzorgd door een gerenommeerde traiteur die zijn sporen had verdiend met onorthodoxe maar exquise bereidingen van orgaanvlees, de drank zou worden beperkt tot licht sprankelend water, een jonge, koel geschonken, rode Chileense Merlot en een artisanale, overigens illegaal gestookte, calvados. Een wereldvermaard achtkoppig koor zou de avond opluisteren met polyfone muziek. Een escortbedrijf dat zijn werknemers rekruteerde uit studenten in iets artistiekerigs, zou instaan voor de bediening en indien nodig voor enige emotionele opvang. De bedoeling was dat iedereen zich licht opgewonden zou kunnen voelen of zich op zijn minst zou kunnen beroepen op een helpende hand om zich staande te houden, in het ergste geval een schouder om op uit te huilen of een lijf om zich aan te vergrijpen. Als locatie was gekozen voor de hangars van een decoratelier dat in de loop van zijn kort maar roemrucht bestaan de meest bizarre rekwisieten had verzameld. Aanvankelijk bleek dat de plek, vooral bij valavond, iets onheilspellends had en rook naar beschimmeld hout en textiel. Met behulp van guirlandes werd de plek omgetoverd tot een feeërieke kermistent, met honderden wierookstokjes zou de muffe geur worden geneutraliseerd. Alles moest beantwoorden aan wat de verwende lezers van een exclusief lifestylemagazine zouden kunnen verwachten, behalve dan dat ene dat zich om exact negen uur zou prijsgeven en dat zíjn aanwezigheid verantwoordde. Eerder dan als getuige, voelde hij zich als medeplichtige, alhoewel hij, die tot dan geleefd had als in een droom, zich begon te ergeren aan de herinneringen.
  
          Het feest verliep het eerste uur zoals volgens het draaiboek te voorzien en te verwachten was. Even was er enige commotie toen een koppel zich een minuut te laat aan de receptie aanbood en door de security resoluut de toegang werd ontzegd, waarna het stel zich met veel misbaar, verontwaardigd en scheldend uit de voeten maakte. De aanwezigen genoten zichtbaar van dit fait-divers, blij dat zij er wél op tijd bij zouden zijn, alhoewel niemand van hen scheen te weten wat hen hier samenbracht. Hij hoorde sommigen vragen stellen die werden gesmoord met liters drank en eindeloos aangevoerde amuse-gueules. Alles kirde van genot en bleef met bulderend gelach of roodgestifte mond het antwoord schuldig. Die lippen waren, net zoals de dassen van de mannen, de enige listen waarmee de aanwezigen zich tegen het alomtegenwoordige zwart hadden durven verzetten. Voor hem waren het, benevens hun geuren, niet te onderschatten referentiepunten.
Niemand schonk aandacht aan zijn aanwezigheid; waarschijnlijk rekenden zij hem, zoals ze letterlijk op hem neerkeken, tot de entourage van het veiligheidspersoneel. Zijn stuurse, tegelijk schichtige blik kon dit voor hen enkel bevestigen. Stilaan werd hem het amalgaam van hun parfums en de rook van sandelhout ondraaglijk. Enkel de geuren van hun zweet en de schimmels, de gebakken zwezeriken, nieren en levers konden hem bekoren, brachten hem het water in de mond, alhoewel hem was geleerd om niet te kwijlen.
  
          Toen het koor, even voor negenen, zonder orgelpunt maar zorgvuldig georkestreerd, ophield met zingen, was de stilte op wat gekuch en gefluister na, bijna tastbaar. In dit vacuüm kon hij eindelijk vrij ademen en werd haar geur onvermijdelijk. Hij kon zich nog net inhouden om niet te beginnen huilen, als om een verloren gewaand stukje onschuld. De gastvrouw verscheen zoals hij zich haar nog steeds kon herinneren, bescheiden maar bewust van haar afkomst. Onder de genodigden werd er goedkeurend gemompeld, maar toen de gastheer in haar kielzog met zijn zware lijf binnen kwam gewaggeld, was er ook gegniffel hoorbaar. Voor hem was dit het teken om zich langs de benen van de menigte heen een weg naar voren te banen. Sommige genodigden reageerden ontstemd en probeerden hem de weg te versperren, wat hen op hun beurt volgens de strikte richtlijnen van de organisatie werd verhinderd door de jobstudenten van het escortbedrijf.
Ook zij moest hem al een tijdlang hebben geroken; toen hij haar op enkele meters genaderd was, keek ze hem vertrouwensvol, vol van verwachting, met een steelse blik over haar schouders aan. Ze liet hem toe om haar uitvoerig te besnuffelen. In de marge begon de gastheer klagelijk te janken, maar durfde hij het tweetal niet te naderen. Het publiek was duidelijk verdeeld; er waren er die zich verlustigden op wat onvermijdelijk komen zou en die hem aanmoedigden, anderen jouwden verontwaardigd. De spanning steeg ten top toen hij haar vastgreep en zij zich met haar lijf nestelde onder zijn gewicht.
Plots voelde hij zich hardhandig bij het nekvel gegrepen. Hij probeerde van zich af te bijten, maar hield zich in toen hij merkte dat de hand die hem in toom probeerde te houden die van zijn meester was. De emmer ijskoud water die iemand over hem uitstortte benam hem de laatste drift. Jammerend van onmacht trok hij zich terug terwijl hij werd beschimpt en geschopt. Nog eenmaal probeerde hij een glimp van haar op te vangen: ze keek hem meewarig aan, zoals enkel teven met een stamboom dat kunnen, terwijl de gastheer onhandig de ouverture die zijn rivaal had ingezet probeerde af te maken. Zoals in het draaiboek voorzien, werd hij nog enkele malen door overijverige leden van de security in zijn ballen geraakt en met emmers water overgoten, vooraleer hij zich rillend van de kou en ontgoocheling uit de voeten maakte. Het laatste wat hij in een ooghoek tijdens zijn vlucht nog kon ontwaren, waren de twee lijven die zich in een kluwen verenigden onder luid applaus. Een volgende maal, zo nam hij zich bitter voor, zou hij zich als schouwreu niet aan de afspraak houden, zou hij zijn natuur volgen en de meesters de strot overbijten met de doortastendheid eigen aan zijn ras. Want het is een goed gif: de wraak die sluipt en geurt naar zweet en schimmel, samen met een instinct dat onbehouwen de hemel prijst. Onderhuids verdelen beiden de wereld, zonder de last van een geheugen, in daders en zwijgers, in vaders en vrijers, koppig en genadeloos, zoals elke trage en obscene leugen.
   
   
   

 

14:38 Gepost in Proza, Teksten | Commentaren (0) | Tags: schouwtoneel, folklore, klauw

01-05-12

Interview

   

Stijn Vranken: Ik ken jou al jaren, als dichter en vooral als dichter op een podium, en dan nu plotseling een roman. Is poëzie dan een soort aanloop geweest tot het zogenaamde ‘grotere werk’?

GD: Misschien is poëzie net het ‘grote werk’. Ik moet eerlijkheidshalve bekennen dat ik aanvankelijk helemaal niet het plan had opgevat om een roman te schrijven. Op een bepaald moment wou ik een kortverhaal schrijven, misschien omdat ik voelde dat gedichten voor mij stilaan een beperking inhielden. Dat verhaal is uiteindelijk een roman geworden; er kwamen langzaamaan meer en meer stukken bij, schillen noem ik ze. Het geheel is ook heel intuïtief gegroeid, er was aanvankelijk geen vooropgezette structuur, maar ik ben best tevreden over de opbouw van ‘Hondsster’. Ik heb ook gemerkt uit de eerste reacties dat de lezers totaal geen probleem hebben met het steeds wisselend vertelperspectief. Niet voor niets is ‘een schimmenspel’ de ondertitel van dit boek.

SV: Het is inderdaad een behoorlijk complex boek, op verschillende niveaus. Eén van de verhaallijnen is de familiestructuur die zich gaandeweg bloot geeft. Vanwaar dat ‘schimmenspel’?

GD: In het begin heb ik bewust met initialen gewerkt voor personages die pas later een voor- of achternaam krijgen, of een plaats in de constructie die ik tijdens het schrijven aan het bouwen was. Van één van de hoofdpersonages, de moeder, krijgt de lezer pas alle informatie wanneer haar erfenis uit de doeken wordt gedaan. Al die schimmen worden met mondjesmaat ingevuld, krijgen in de loop der gebeurtenissen contour, kleur en reliëf.

SV: Een soort puzzel waar alles op zijn plaats komt?

GD: Ja, ikzelf hou daar wel van, van iets dat zich maar langzaam prijs geeft. Nochtans heb ik me voorgenomen om me in mijn volgend boek (werktitel ‘Klauw’)  aan een duidelijke, lineaire structuur en één vertelperspectief te houden, als een soort uitdaging. Voorlopig toch…

SV:  Maar bij ‘Hondsster’ klopt het allemaal wel. Op het einde komen alle eindjes samen.

GD: Toch had ik het tijdens het schrijven soms zelf best moeilijk, om een personage of een plek in de juiste tijd te plaatsen. Op een bepaald moment heb ik een tijdslijn en een boomstructuur geconstrueerd om zelf de draad niet kwijt te raken. Gelukkig heb ik gemerkt dat mijn ‘eerste lezers’ probleemloos alles konden plaatsen, dat alles evident ‘binnenkwam’ en dat de schimmige opbouw het verhaal zelfs spannend maakte.

Lees hier het volledige interview.

   

   

27-02-12

reacties op 'Hondsster' (een voorlopige balans)


Ik heb Hondsster in één adem uitgelezen. Het is heel vlot en spannend geschreven, ontdaan van alle franjes, een gebalde stijl die me erg bevalt. Veruit het beste Vlaamse boek dat ik de laatste jaren las.
A. Z.

Knap werk. En een fantastisch onderwerp.
Voornaamste kritiek: het had wel wat langer gemogen!
R. DM.

Je slaat meermaals de nagel op de kop en je raakt bijzondere dingen aan. Je neemt geen blad voor de mond en dat apprecieer ik, en ik herken de hand van een meester, in zoverre ik natuurlijk ‘geschikt’ ben om handen van meesters te herkennen, ha.
E. DB.

Guy, je had mij er wel kunnen bij vertellen dat Hondsster een ‘pageturner’ is… Ik wil mijn bed niet meer uit! (met dit weer is dat geen probleem natuurlijk…).
Salut, want ik moet gaan lezen, xx
E. P.

Bedankt voor het schrijven van je prachtige boek. Ik vind het erg poëtisch geschreven en het is een goed opgebouwd verhaal.
J. P.

Hondsster vond ik essentieel, geen franjes, niet kaal.
Ik vond het een heel goed verhaal, stevig geschreven, zonder aanstellerij.
H. B.

Een boek dat een gevoel oplevert dat je niet direct zal loslaten. Een boek voor wie eens iets anders dan de doorsneekoek onder handen wil krijgen.
P. VDD.

Boeiend gecomponeerd en poëtisch geschreven verhaal in een (niet-storend) Vlaams taaleigen. Een origineel ‘schimmenspel’, waarmee de auteur twee zoeklijnen – historisch en psychologisch – kunstig vervlecht tot een confronterende en spannende ‘aktion’.
drs.P. VDH. (NBD|Biblion recensie)

Wat mij stoort is dat ‘niet-storend’. Ik stoor me daar al 20 jaar aan.
Zouden onze recensenten eens moeten schrijven over een Nederlander…  Maar ja, drs.P. is nog maar drs. Als die dr. wordt klinkt jouw taal meteen exotisch en puntgaaf.
G. S.

Ik kon meegezogen worden, genieten van de taal. Indrukwekkend! Ook de structuur.
M. M.

Knap, hoe je dat zelfgenoegzaam kunstwereldje letterlijk te kakken zet. Il faut le faire.
(anoniem)

   


23:39 Gepost in Algemeen, Proza | Commentaren (0) | Tags: hondsster, reacties, balans

28-09-11

Boekpresentatie Hondsster

   
  
Een datum die u in uw agenda mag noteren:
vrijdag 25 november om 20 uur
in de kelder van De Groene Waterman (Wolstraat 7 2000 Antwerpen)
Boekpresentatie Hondsster
programma (o.v.): Frank Jaspers (Houtekiet) leidt in,
Stijn Vranken ( ‘Vlees Mij’ en ‘Wees gerust, maar niet hier’) interviewt,
Guy Dierckx leest enkele fragmenten,
Bert Dockx (Flying Horseman) speelt gitaar en zingt.
Daarna receptie en mogelijkheid om het boek te kopen en te laten signeren.
Vervolgens drank in De Kat (ik trakteer).
Alles gratis, behalve het boek.
   
    

08-09-11

Houtekiet najaar 2011

 

 

28-08-11

Wolvin

   
  
Het gebeurt wel vaker in de natuur dat een wolvin genoegen neemt met een verlaten vossenhol of dassenburcht om haar nest in te richten.   (Hondsster, p. 22)
  
  

  
       

26-07-11

Laid in earth

   
  
            Ik probeerde mij Olga terug voor de geest te halen, zoals zij totaal ontredderd de week van de begrafenis had geleefd. Het had nog heel wat voeten in de aarde gehad om de uitvaart te regelen: het duurde meer dan een week vooraleer het gerecht het lichaam wou vrijgeven, Harald bleek onbereikbaar en aanvankelijk deed de pastoor van Berkenroth moeilijk omdat hij niet persoonlijk was gecontacteerd om de overledene de laatste sacramenten toe te dienen. Olga wist met zichzelf geen blijf en liet elk initiatief aan mij over. Met moeite had ik uiteindelijk een datum kunnen bepalen, een begrafenisondernemer vastgelegd en een aantal adressen verzameld. Na wat getouwtrek had de pastoor ingestemd met een eenvoudige dienst, waarop de vaste organist zelfs bereid was om een interpretatie van ‘When I am laid in earth’ ten gehore te brengen. Op hoop van zegen had ik de dag afgewacht terwijl Olga me op de zenuwen werkte. Ze deed heelder dagen niets anders dan mijn blik vermijden en me toch voor de voeten lopen. Ze weigerde om behoorlijk te eten, zich te wassen of zich om te kleden Ze zei niets meer tegen me, het enige contact dat ze met me zocht was wanneer ze ‘s nachts bij me in bed kroop en zichzelf in slaap prevelde met wat op een aftelrijmpje leek.

(...)

            De dienst was sober, de organist deed zijn best en het gekuch bleef tot een minimum beperkt. Harald zat helemaal vooraan in de vrouwenbeuk, naast zijn Hollandse bewonderaarster, ik op dezelfde rij, maar aan de mannenkant. In zijn homilie bleef de pastoor opvallend op de vlakte; hij benadrukte de aparte levensstijl maar de goede inborst van de overledene, haar artistiek elan en haar eigenzinnigheid, maar over de kwalijke reputatie die zij van in de jaren zestig en zeventig met zich meedroeg, repte hij met geen woord. Tijdens de geloofsbelijdenis stormde Olga met veel omhaal binnen langs de zijdeur. Ze zag er verwaaid en rillerig uit, in één van haar vaalgrijze jurken en op blote voeten. Toen ze Harald zag, stapte ze resoluut op hem toe, ging ze als een kind op zijn schoot zitten en vleide haar hoofd tegen zijn schouder. De rest van de dienst hield ze zich rustig. Toen de organist gedurende de communie een poging ondernam om zich aan Purcell te wagen, begon ze echter hartverscheurend mee te neuriën. Het geheel, het gestuntel van op het oksaal  en de klagelijke geluiden vooraan, gaven de dienst plots een geheel vreemde, ietwat tribale sfeer. Een sfeer die Frau K. wel had kunnen waarderen, bedacht ik met een flauwe glimlach.

Hondsster, p. 183 - 185
  
  

    
  
 

18-07-11

hondsster.wordpress.com

   
  
Voortaan kan je alle nieuws over 'Hondsster', mijn debuut bij Houtekiet, ook hier volgen.
  
    

22:28 Gepost in Algemeen, Proza | Commentaren (0) | Tags: hondsster, wordpress

21-06-11

Hondsster / Houtekiet

   
   
(perstekst)

Hondsster is het verhaal van de wankele relatie tussen een moeder en haar zoon in de tweede helft van de vorige eeuw. In die periode verandert niet alleen de verhouding tussen beiden, maar beweegt er ook maatschappelijk het een en het ander. De grenzen van de artistieke vrijheid en van de ouderlijke verantwoordelijkheid worden afgetast en in West-Europa wordt het aktionisme tot kunststroming uitgeroepen. Tegen de achtergrond van deze maatschappij waarin de morele waarden voortdurend verschuiven, vult de auteur behoedzaam het turbulente verleden van zijn personages in. Initialen worden namen en gebeurtenissen worden data, schimmen krijgen een gezicht.
  
Hondsster is een spannend boek, dat baadt in een broeierige sfeer, over het zoeken naar en het vinden van beelden tussen afschuw en verrukking, over de overmoed om sporen na te laten of uit te wissen, over nestgeuren die blijven hangen en het imponeergedrag waarmee elk roedeldier zijn gezag en territorium tracht te handhaven
  
Guy Dierckx (1958) volgde een grafische opleiding en richtte galerie Blanco en de tentoonstellingsruimte 9915 op. Schrijft poëzie sinds 1999, publiceerde in o.a. De Brakke Hond, De Contrabas, Deus Ex Machina, Dighter en Meander. Hondsster is zijn romandebuut.
  
paperback 220 blz 14 x 22 cm € 18.50
omslag Marij Hereijgers
foto omslag Guy Dierckx 
isbn 978 90 8924 196 2 
rubriek literatuur nur 301 
verschijnt in november 2011
bij Uitgeverij Houtekiet

  
    

22:29 Gepost in Proza, Teksten | Commentaren (4) | Tags: hondsster, houtekiet, perstekst

20-06-11

10 fragmenten uit 'Hondsster'


 

1.

‘Laat maar,’ stamelde ze, ‘het doet goed om nog eens de onstuimigheid te voelen die me herinnert aan de wellust van weleer. Geef me een kus en ga slapen. Morgen gaat het terug beter met me. Vroeger was het net hetzelfde.’
Ze keek op, de oogschaduw en mascara waren uitgelopen, wat haar op een vreemde manier jonger deed lijken. Ik nam haar hoofd in beide handen en gaf haar een kus op het voorhoofd, net zoals ik Olga daarnet had zien doen. ‘Slaapwel,’ zei ik.
‘Heb je me niets méér te zeggen?’ vroeg ze.
‘Nog niet, later misschien.’
Buiten was het ondertussen koel en klam geworden. Het erf lag er verlaten bij. Onwillekeurig keek ik naar boven; ik had verwacht een schitterende sterrenhemel te zien, maar ik kon slechts vaag enkele doffe sterren onderscheiden; zowel op aarde als in de hemel was er geen hond te bespeuren.

 

2.

Iedereen heeft recht op een verhaal, sommigen dromen er zelfs beelden bij. Toen hij nog een jongen was, voelde hij in zijn jeugdige onbezonnenheid de behoefte om zelf beelden te creëren, als uit het niets. Nu volstaat een foto, waarvan een zelfingenomen psycholoog zou kunnen beweren dat het een soort spiegel is. De amper herkenbare man in de verte zou kunnen staan voor de onbereikbare, dus onaantastbare vader, de neger voor hemzelf, de plichtsgetrouwe dienaar die hij zich altijd had gevoeld. Ach, kunstenaars vertrouwt hij voor geen cent, voor therapeuten is hij als de dood.

 

3.

Het duurde niet lang of Olga’s ademhaling werd zwaar. Uit nieuwsgierigheid raakte ik voorzichtig één van de tatoeages aan. Ik had gedacht dat de huid er hard en weerbarstig zou hebben aangevoeld, maar het tegendeel was waar: fluweelzacht, zonder enig littekenweefsel. Choukri kende blijkbaar zijn vak. Toen ik het cijfer 373 op haar schouder streelde, ging er een siddering door Olga’s lijf. Ik spreidde het laken over haar, nam de fles waarin zich nog een bodem bevond en vleide me naast haar neer. Uit ervaring wist ik dat dit bed ruim genoeg kon zijn.

 

4.

Vanaf dat ogenblik werd Hanel met rust gelaten maar geen van haar medeleerlingen dacht er nog aan om enige toenadering tot haar te zoeken. Voor haar was dit geen enkel probleem; ze ergerde zich toch maar aan hun aanwezigheid en hun flauwe praatjes. Hun vriendjes die hen na schooltijd op de hoek van de straat opwachtten interesseerden haar meer; ze kon hen bijvoorbeeld sigaretten afluizen die ze met een schijnbaar gemak inhaleerde of hen een tong draaien alsof ze haar hele leven niets anders had gedaan. Maar na verloop van tijd begonnen ook hun pokdalige tronies en ruwe handen haar snel te vervelen. Uiteindelijk verlangde ze alleen nog maar naar haar eigen kamer, naar het nest met verfrommelde lakens waarin ze haar gretigheid kon laten ontsporen en eigenhandig temmen terwijl ze een zo goed als anonieme blik dit alles goedkeurend liet gadeslaan.
Ik wil niemand pijn doen, dacht ze nog, net op het moment dat haar grootvader ziedend de kamer binnenstormde, haar van het bed sleurde en haar gebood zich aan te kleden.

 

5.

‘Had men mij op mijn achttiende niets verteld en had men mij toen niet met jou in contact gebracht, dan had ik mij waarschijnlijk gewoon een gewone zoon en broer kunnen blijven voelen.’
‘Gewoon?’
‘Ja, gewoon, sommige mensen verkiezen dat, om gewoon door het leven te gaan.’ Terwijl ik dit zei, stelde ik mijn eigen antwoord in vraag, vroeg ik mezelf af of ik wel zo’n gewoon iemand was en had willen zijn.
‘De vraag is of dat een kwestie van keuze is.’
‘Wat zou het anders zijn?’
‘Een kwestie van voorbeschikking.’ Frau K.’s antwoord klonk bijna als een vraag.
‘Ik vrees dat je dan jezelf te hoog inschat.’

 

6.

‘Dus je schaamt jezelf voor mij!?’
‘Ik erger mij. Omdat je er steeds opnieuw in slaagt om nét die dingen te doen die je omgeving in verlegenheid brengen of zullen brengen. En wat me daarbij nog het meest ergert is de vanzelfsprekendheid die je daarbij hanteert. In een normale verhouding is het de zoon die de leugens verzint om zijn moeder gerust te stellen.’
‘Ik heb nooit tegen je gelogen.’
‘Neen, maar je hebt je verborgen achter elk excuus om niet de gewone moeder te zijn die ik misschien wel had verdiend. De enige herinneringen die je me nalaat zijn zo misplaatst, dat ik ze zelfs niet kan bannen; in elk naslagwerk, in elke encyclopedie staat er wel een foto of een voetnoot die me confronteert met die obsessie van jou: jouw lichaam, als een tegelijk verrukkelijk als afschuwelijk instrument.’
‘Met dat lichaam heb ik iets willen vertellen,’ klonk het zwak.

 

7.

Er was die nacht weinig verkeer en de hemel was helder. Ik was er alleen met de sterren. Sirius, ook wel de hondsster genoemd, was nog steeds de helderste ster. Voorlopig althans want, naar men zegt, zal hij zich door zijn eigenbeweging steeds meer van ons verwijderen en almaar zwakker lijken. Zijn rol als helderste ster zal over vijf miljoen jaar door Albireo, een dubbelster in de bek van het sterrenbeeld De Zwaan, overgenomen worden. Zoals alles is ook wat oneindig ver schijnt tijdelijk.

 

8.

Frans liet de twee dvd’s met duidelijke weerzin in de doos vallen. Ik hoorde een plastic hoesje barsten. Hij keek me onderzoekend aan: ‘Als ik je een goede raad mag geven, zorg dan dat je dit materiaal zo snel mogelijk kwijt bent.’
‘Maar ik heb het net geërfd.’
‘Dan zou ik zo snel mogelijk die familie de rug toekeren en me laten onterven…’
‘Maar het is belangrijk archiefmateriaal, over de avant-garde in de jaren zestig, over een belangrijke strekking in de moderne westerse kunst.’
‘Dan zegt mijn gezond boerenverstand dat het hoog tijd wordt om te emigreren naar een ver, streng islamitisch land.’

 

9.

Ach ja, de obligate performance, een naïef stukje theater waarmee de kunstenaar zichzelf de rol van mythologische held zou toebedelen en zijn, met eigen lichaamssappen doordrenkte schilderijtjes een mysterieuze, maar vooral commerciële meerwaarde kon geven. Ik opende het raam en keek naar beneden: de zak restafval stond er nog, met een inhoud die elk mysterie overtrof.

 

10.

Eén van de honden die stond te blaffen aan de container en er af en toe tegen opsprong, ergerde Marcel al een hele tijd. Tot hij zich plots realiseerde dat de hond misschien wat had geroken dat zijn gejaagdheid verklaarde: bloed, vlees, iets dat leefde of net niet… Marcel stormde op de container af, schopte naar de hond die zich jankend uit de voeten maakte en schoof het deksel omhoog. De stank die er uit opsteeg deed hem naar adem snakken, maar buiten een lading lege mosselschelpen was de container zo goed als leeg. Vanaf dat moment had de onrust Marcel te pakken; de hele voormiddag liep hij nerveus om zich heen kijkend door de wijk. Vooral de directe omgeving van het dok trok zijn aandacht. Achter elke lichter die was aangemeerd, keek hij over de kade, of er tussen twee schepen, tussen het zwerfvuil dat er onherroepelijk bleef drijven, zich geen drama zou prijsgeven.
    

  
    

14-06-11

Sintel

   
  
foe.jpg

Ik probeer me hen voor te stellen: met gezwollen levers en haar waar iemand niets, hoogstens wat etensresten, had verwacht, handenwrijvend om de kilte ruggelings op afstand te houden in barre, bloedeloze tijden. Af en toe gooit een onverlaat wat scharrels op het vuur. Achteloos knettert de leegte; zelfs de stem haalt het niet.
'Vertel,' knort de oudste uit het niets, 'hebt ge al een lief en is haar vlees schoner dan dees vlammen?' Als ik een eenvoudige bevestiging niet ogenblikkelijk kan ophoesten, beginnen de trawanten lusteloos in het vuur te poken, tot één van hen, ondertussen even doorschijnend als de rook geworden, aarzelend opmerkt: 'Dat van die edele delen, heb ik eigenlijk nooit begrepen.'
De mannen schuifelen onrustig; de honger, die gist in hun darmen, kan hun kloten kussen, maar de laatste druppel zal door henzelf als dorstige goden uit de as worden geroofd. Zo heerst er een niet te bedaren onbehagen waarin al wat voor even aarzelt, voldoende stof levert om vloekend na te smeulen.
'Als ge u niet goed voelt, dan zijt ge ziek,' klinkt het onomwonden, 'want al wat ijdel is, is ons vreemd, dan neemt iemand anders wel de wacht van u over.'

 

illustratie: Kurt Wiese, uit: Foe van de Yangtse-kiang (1936)
  
    

 

26-05-11

Ghostwriter

 

hondsster,ghostwriter,flying horseman
   Voor de release van Hondsster, nog even geduld
tot november 2011. In afwachting deze G H O S T W R I T E R.