06-03-11

Verwant(e)

 

  
Voor Frau K.


   
Een vlek, een gebrek, een zuur

dat bijt met een geur die looit
en naderhand blijft kleven
aan de vingers. Een belofte

(aangetast door de soort,
verdoemd door het geslacht)
waarin alles wat ontspoort
 
of hapert van leegte en gemis
tot de orde wordt geroepen,
als een symptoom: een nest
vol van
afschuw en verrukking.
  
    

 

01-08-10

Welpen(h)orde X

  
  
        Uitgeput stond hij op. Eigenlijk wilde hij terugkeren en zich opsluiten in zijn vertrouwde kamer, bij zijn boeken, de drank en andere parafernalia, maar gedreven door een zekere nieuwsgierigheid begon hij de trap te bestijgen, naar de eerste verdieping.
Het eerste wat hem opviel toen hij de bel-etage betrad, was het gewild huiselijke, zelfs burgerlijke van de inrichting: een versleten Perzisch tapijt, een oud salon, een geïmproviseerd salontafeltje, een wandrek met een radio en wat gezelschapsspelletjes, een poster aan de muur van een heldhaftige popgroep,… De directeur vond dat het tafereel bijna iets aandoenlijks had, iets van de ordinaire jongenskamer die hij zich zelf nooit had kunnen permitteren. Op de grote, vensterloze muur stond een ruwe potloodschets. Het bleek de aanzet van een soort beeldverhaal. Vaag kon hij de contouren onderscheiden van vreemde, monsterachtige en uitgerokken wezens in een ruimtelijke constructie die uitliep in een desolate vlakte. De wezens staarden begerig naar een monumentaal kruis in hun midden, waarop een verwrongen, halfnaakt vrouwenlichaam met resten slachtafval was bedekt. De vrouw keek hem met haar donkere ogen aan, uitdagend maar onrustig, als een gekooid dier. De directeur verbleekte.
  
        De conciërge schrok slaapdronken op vanachter zijn bureau dat als loket dienst deed, toen zijn baas laat op woensdagmiddag hijgend binnenviel.
‘Ik heb witte verf nodig!’
De conciërge aarzelde: ‘Wat voor verf, meneer de directeur? Ik heb in de kelder nog een pot latexverf over die ik gebruik om de gang af en toe wat bij te schilderen, maar die is beige.’
‘Dat is goed, haal die maar!’ antwoordde de directeur ongeduldig, ‘en een verfrol of een dikke borstel!’
De oude rijkswachter stond kreunend op, zijn oude botten protesteerden maar hij had geleerd niet te veel vragen te stellen. Na een vijftal minuten was hij terug met een gedeukte ijzeren pot en een afgeleefde borstel. Hijgend stelde hij voor: ‘Als u wilt, dan zorg ik wel voor de retouches. Is er iets gemorst op uw kamer?’
‘Laat maar, ik doe het wel zelf,’ klonk het ongeduldig.
‘Maar u zal uw mooie kostuum vuil maken!’
‘Ik weet wat ik doe, zo onhandig ben ik nu ook niet.’ Hij griste het materiaal uit de handen van de conciërge, die hem verbouwereerd nakeek.
‘De commissaris heeft nog voor u gebeld,’ riep hij hem na, maar de directeur had de zware schoolpoort al achter zich dichtgetrokken.
  
  

16:53 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: welpen, horde, orde, roedel

30-07-10

Welpen(h)orde IX

  
  
        Als een argument een maat voor niets blijkt, als elk medeleven verkeerd wordt opgevat, dan rest ieder zinnig mens een nederig stilzwijgen. De directeur liet zich met een zucht op de smoezelige matras neervallen. Het meisje nam de gelegenheid te baat om zich uit de voeten te maken. Nog eenmaal keerde zij zich om en keek hem met haar betraande ogen onverholen aan: ‘Wacht maar, ik zal mijn ouders alles vertellen, dat je mij de kleren van mijn lijf hebt getrokken en dat je hebt geprobeerd om mij te verkrachten!’
‘Waarom zeg je zulke dingen?’
‘Daarom,’ zei ze en greep zichzelf in 'r kruis. Ze probeerde hem tegelijkertijd in het gezicht te spuwen, maar meer dan wat vlokjes spuug leverde dit niet op. Alleen diegenen die op straat werden opgevoed, hebben geleerd een trefzekere rochel als een duidelijk merkteken te plaatsen.
   
        De priester bleef een tijdlang voor zich uit staren. Wat zou hij doen, dacht hij, als dit wezen een kind van hem was, iemand die hem op elk onbewaakt moment met haar fantastische verhalen kon overvallen? Zou hij zich kunnen verplaatsen in haar wereld, zou hij haar geloven of haar op haar plaats zetten? Zou hij haar kunnen ontgoochelen door haar terecht te wijzen en haar op andere ideeën kunnen brengen? Zou hij na jaren haar verwend lijf, dat hijzelf steeds opnieuw zou hebben gevoed, kunnen blijven verdragen? Of zou hij haar uiteindelijk kwetsen of, tegen beter weten in, haar blijven troosten, zonder dat zij argwaan zou krijgen en hij zich ongemakkelijk moest voelen? Misschien was het feit dat hij zelf geen een echte jeugd had beleefd, wel de oorzaak dat hij de jeugd nooit zou kunnen begrijpen, haar enkel in goede banen kon proberen te leiden of haar corrigeren.
De vier jaren dat hij voor de klas had gestaan waren in dat opzicht een hel geweest; steeds opnieuw was hij geconfronteerd geworden met zijn eigen onmacht om zijn leerlingen iets bij te brengen of hen te motiveren om eigenzinnige keuzes te maken in de onuitputtelijke leerstof waarmee hij hen overstelpte. Hij kon dan wel een expert zijn in Franse literatuur, de leerlingen die zich er ostentatief van afkeerden in zijn lessen had hij amper, ondanks hun botte domheid, ongelijk kunnen geven. Toen het bisdom op zoek was naar een nieuwe directeur en daarbij een duidelijke voorkeur naar voren schoof voor een geestelijke, had hij zich ogenblikkelijk kandidaat gesteld. Een school leiden kon hij tenminste met een zekere afstandelijkheid, vanuit zijn ivoren toren. Dat laatste werd in progressieve onderwijsmiddens steeds minder geapprecieerd, dat wist hij maar al te goed, maar misschien was het de enige manier om als instituut te overleven, zonder dat één van de betrokken partijen aan gezichtsverlies dreigde ten onder te gaan. Een diplomatische benadering, daar voelde hij zich goed in, voor even nog.
  
  

23:43 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: welpen, horde, orde, roedel

15-07-10

Welpen(h)orde VII

  
  
       
Het kwam er op neer dat de school, of hijzelf althans, initiatief zou moeten nemen, diplomatisch en pedagogisch verantwoord en met inachtneming van alle plaatselijke gevoeligheden. De tuchtprefect op pad sturen zou enkel scheldtirades en nodeloos gebulder met zich meebrengen en was voorlopig geen alternatief. Even dacht de directeur eraan om mevrouw Brijs in te schakelen; een zachte, zalvende hand kon soms wonderen verrichten, maar langs de andere kant zou het probleem, gezien de masculiene reputatie van de school, toch op een eerder vaderlijke wijze moeten kunnen worden opgelost. Ten langen leste besloot hij om in hoogsteigen persoon een bezoek te brengen aan het bewuste pand.
  
        Met zijn grijze pak hoopte hij niet al te veel in het oog te lopen. De donkere bril had hij achterwege gelaten, kwestie om niet voor iemand van een opsporingsbrigade door de buren te worden versleten. Haastig sloot hij het poortje achter zich en liep het gangetje in. De achterdeur was open; een hangslot hing los aan de ketting. De ruimte erachter baadde in een diffuus, oranje licht. Hij keek bedachtzaam om zich heen, voelde zijn hart op een vreemde manier tekeer gaan en ademde diep in. Buiten een omgekeerde kachelpijp en de resten van een vuurtje, wees niets erop dat dit pand gekraakt was. Hij hoorde enkele duiven koeren. Als jonge honden zich in dit huis zouden ophouden, zouden de duiven zich wel gedeisd houden, dacht hij, zichzelf geruststellend. Resoluut begon hij de trap te bestijgen. Op de overloop rustte hij even uit, maakte zich meester van de stilte en de geuren. Achter een deur hoorde hij iets dat op gesmoord gehinnik leek, zoals bij kinderen die zich bij het verstoppertje spelen geen raad weten met hun eigen roerloosheid. De directeur voelde zich van minzame herder jager worden, de adrenaline deed hem plots en instinctief handelen. Bruusk opende hij de deur en stormde briesend binnen. De twee jongens die hem verhit en verschrikt aankeken had hij enigszins verwacht - het waren inderdaad leerlingen van hem - maar het was het naakte, uitgestrekte meisjeslichaam dat hem volledig immobiliseerde.
‘Wat is hier gaande,’ fluisterde hij hakkelend en tegelijkertijd wist hij dat zijn woeste verschijning vooral hemzelf in ontreddering bracht.
Eén van de jongens begon te grijnzen en siste tegen de ander: ‘Snel! Volg me, hij kan ons toch niets doen!’
De twee jongens stoven op hem af en wisten hem elk langs een kant te pareren. Hij hoorde hen joelend de trap afstormen en bleef machteloos  achter. Het meisje richtte zich ondertussen versuft op en keek hem met grote, beschuldigende ogen aan.
  
  

12:05 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: welpen, horde, orde, roedel

29-06-10

Welpen(h)orde VI

   
   
        ‘Commissaris, laat ons open kaart spelen. We weten allebei dat je komst niets met een beleefdheidsbezoekje te maken heeft. Wat is het probleem?’
‘Hugo, begin de zaak nu niet te chargeren! Ik kom hier enkel als een goede vriend en het laatste wat ik zou willen is dat je je door mij op de korrel genomen zou voelen…’
‘Wat is er dan?’
‘Een ongemakkelijke situatie, meer niet. Eerst wil ik wel nog een borrel, als het niet derangeert.’
De directeur nam de fles en zette deze op het bureau, aan de kant van de bezoeker. ‘Bedien jezelf, het is je van harte gegund.’
‘Graag. Normaal gezien drink ik niet in uniform, maar het zou wat potsierlijk overkomen als ik me hier nu zou beginnen uitkleden.’ De agent schaterlachte. ‘Nu even serieus,’ begon hij nahikkend, ‘er zijn klachten binnengekomen, over een aantal jongens, van de eerste graad vermoed ik, volgens de beschrijvingen zijn ze amper twaalf à dertien jaar.’
De directeur liet zich in zijn bureaustoel ploffen, hopend dat de agent niets had gemerkt van het gevoel van opluchting dat hem overviel. ‘Wat is er gebeurd, gaat het over vechtpartijen, over winkeldiefstallen, verkeersovertredingen of over wat dan ook waarmee overijverige pubers de brave burger ambeteren?’
‘Het is van een andere orde, iets waar wij, als ordehandhavers, niet echt raad weten. Een aantal jongens heeft zich toegang verschaft tot een leegstaand pand. Ze hebben er een soort clubhuis geïnstalleerd. Meer niet, maar ook niet minder.’
‘En zijn het leerlingen van deze school?’
‘Vermoedelijk wel. ‘t Zijn er in ieder geval geen van de vakschool, daar zien ze volgens de buren niet naar uit.’
De directeur haalde zich beelden voor de geest die hij op televisie had gezien, waarbij zwaarbewapende ordetroepen in een naburig land zogenaamde krakers hardhandig uitdreven en, als een soort statement, alle huisraad uit de ramen kieperden. Hoe hoger de verdieping, hoe hoger de ontzetting en hoe hoger het ontradend effect, zo leek het, als een economisch principe, als een eenvoudige kosten-batenanalyse, maar overduidelijk voor iedereen, dat wel.
‘Drijf hen er uit, je kan beschikken over gekwalificeerd personeel.’
‘Zo simpel is het niet. Voorlopig is er geen enkele officiële klacht; het blijkt dat de eigenaar van het pand, een obscure patrimoniumvennootschap, in het buitenland is geregistreerd. Zolang deze zich niet als burgerlijke partij laat horen, kunnen wij eigenlijk niets ondernemen. En zoals het er momenteel voorstaat, zou het hem ook helemaal niet interesseren, hij wacht geduldig op een sloopvergunning.’
‘Komaan, als één van mijn leerlingen met zijn fiets een eenrichtingsstraat negeert, wordt hij beboet!’
‘Op de openbare weg hebben we voorlopig nog enige bevoegdheden, maar op privaat terrein ligt het helemaal anders.’
‘En wat als de openbare orde er wordt verstoord?’
‘Zover ik weet wordt er niets illegaals verhandeld, gebruikt of tentoongesteld.’
‘Doen die jongens eigenlijk wel iets verkeerd?’
‘Wettelijk gezien niet en dat is net de reden waarom ik hier ben, op informele basis.’
‘Zijn er ook meisjes bij betrokken?’
‘Volgens mijn informatie niet. Nog niet.’
De directeur besefte dat het bezoek van de commissaris pas nu zijn ware toedracht zou prijsgeven.
  
  

20:33 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: roedel, pulp, welpen, horde, orde

26-06-10

Welpen(h)orde V

  
  
        Bruusk werd hij gestoord in zijn overpeinzingen; de intercom begon indringend te zoemen. Hij nam de hoorn op en zei met afgemeten stem: ‘Wat is er?’
‘Mijnheer de directeur,’ het was de krakende stem van de conciërge, ‘de commissaris van de politie wilt u spreken.’
‘Laat hem vijf minuten wachten bij het onthaal en stuur hem daarna maar naar boven.’
‘Naar uwen bureau?’
‘Natuurlijk,’ antwoordde hij bars en smeet de hoorn neer. O, wat kon die oude onderkruiper van een concierge hem toch ergeren. Met zijn samenzweerderig geknipoog en zijn slepend been, een overblijfsel van een onzalige behandeling die hem net na de oorlog te beurt was gevallen. Met zijn staat van dienst als rijkswachter maar zonder recht op een pensioen had hij de vorige directeur kunnen overtuigen om hem voor het leven aan te nemen als manusje-van-alles. Uit menslievendheid of uit een eerder politieke sympathie, wie zal het zeggen, maar waarschijnlijk waren het zijn onvoorwaardelijke loyaliteit en het uiterst karige loon die de doorslag hadden gegeven. De directeur begon wat dossiers op zijn bureau te schikken, kwestie om de indruk te wekken dat hij overstelpt werd door het vele werk. Exact vijf minuten na het telefoontje, lichtte het oranje lichtje van de intercom op. Hij drukte op de groene knop en liet zich zuchtend in de bureaustoel zakken.
  
        ‘Mijnheer de directeur,’ de commissaris stormde in vol ornaat en met uitgestrekte hand op hem af. Met de andere hand nam hij zijn kepie af en legde die doodgemoedereerd boven op een stapel dossiers. De directeur stond moeizaam op en hoopte dat dit de bezoeker niet zou zijn ontgaan, schudde de ander de hand en gebaarde dat deze kon gaan zitten. In de deuropening stond de conciërge nieuwsgierig te staren. Toen hij de strenge blik van zijn baas eindelijk gewaar werd, verschoof hij zich achterwaarts, als een ongewerveld dier, maar met minder stijl. De deur viel in het slot.
‘Commissaris, mag ik u iets aanbieden?’
De agent keek veelbetekenend naar het dressoir in de hoek, naar de fles Hertekamp en het kistje sigaren. ‘Een aperitiefje kan ik best gebruiken en één van uw voortreffelijke sigaartjes kan mij altijd bekoren, dat weet u.’
De directeur stond op, nam een borrelglaasje en zette het voor de agent neer, met opvallend vaste hand schonk hij het glas tot net aan de rand vol. Het sigarenkistje plaatste hij er naast, nam er zelf één uit en rook er ostentatief aan, maar bleef opvallend rechtstaan. ‘Tast toe,’ zei hij minzaam.
‘Drinkt u niet mee?’
‘Het is nog wat vroeg. Ik hou graag het hoofd helder.’
‘Dat is het voordeel wanneer je met overtreders te maken hebt, je klanten willen niets liever dan dat je beantwoordt aan hun diffuse denkpatronen.’
‘Ik beschouw mijn leerlingen niet als klanten, zeker niet als overtreders.’
‘Dat bedoel ik net.’ De commissaris trok zelfvoldaan aan zijn sigaartje en nam een gretige slok.
  
  

18:05 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: roedel, horde, orde, welpen, pulp

24-06-10

Horde

   
  
marat sade                        Still uit 'Marat/Sade', in negatief.
   
  
                                                                                                                                     

11:54 Gepost in Algemeen | Commentaren (0) | Tags: welpen, orde, roedel, horde, marat, sade, kermis

Welpen(h)orde IV

  
  
        De erotiek of een artefact daarvan bewaarde hij voor de late uurtjes, wanneer het klooster in volledige stilte was gehuld. Als de goesting hem bij zijn nekvel nam en de drank hem niet te veel had beneveld, dan schoof hij het verzameld werk van Proust opzij. Achter zijn immense bibliotheek verschool zich immers een bonte verzameling aan pornografische foto’s en publicaties.
   
        Minstens één maal per trimester begaf hij zich, tegen valavond en getooid met zonnebril en een lichtgrijs kostuum, met vaste tred naar de oude stad, naar een obscuur winkeltje, gespecialiseerd in zeldzame munten. De eigenaar, een voormalige studiegenoot van hem die in een bevlogen moment zijn kap over de haag had gegooid, was naast een expert in numistiek tevens een marchand in onbetaalbaar geachte perversies, op papier weliswaar. Voor harde valuta konden vaste klanten zich discreet, onder de toog, de aanzet tot ultieme fantasieën toe-eigenen. Gaandeweg had de directeur zich een collectie verzameld die beantwoordde aan wat hem enerzijds met afschuw, anderzijds met verrukking  vervulde: gewillige dames die het deden met alles wat zich onbeschaamd toegang verschafte tot al hun denkbare lichaamsopeningen. Een bijzondere voorkeur koesterde hij voor seksuele handelingen waar honden bij betrokken waren, hun omzwachtelde klauwen en spitse roeden hadden iets aandoenlijk en de meisjes keken de reuen steevast vertederd in de ogen. Het morsige dat de scènes opriepen deden hem soms terugdromen over zijn korte vakantie in Oostenrijk. Hij was er zich maar al te goed van bewust dat de goegemeente zijn interesse als ongezond en onnatuurlijk, misschien wel als illegaal, zou bestempelen, maar anderzijds had hij niet het gevoel dat hij iemand benadeelde; de honden leken goed behandeld te worden en de meisjes konden misschien eindelijk hun studies betalen zonder zwanger te worden. Honi soit qui mal y pense, dacht hij, bijna opstandig, ik val tenminste niemand lastig met mijn vieze prentjes! Dat sommigen van zijn confraters de daad bij het woord voerden met gewillige koorknapen en geïntimideerde misdienaars, vervulde hem echter met deernis en weerzin. Van kinderen blijf je af; je kan ze, zelfs als ze er niet zelf om vragen, volproppen met een overdosis aan kennis of ze met harde hand goede manieren proberen bij te brengen, je mag ze zelfs ongelukkig maken als voorbode op de onverbiddelijke toekomst die hen wacht. Zij op hun beurt, mogen de hand bijten die hen voedt en zich afkeren van de meelijwekkende troost die hun opvoeding hen biedt. Maar kinderen mag je nooit voor het leven tekenen. Nooit.
  
  

01:03 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: pulp, roedel, welpen, horde, orde

21-06-10

Welpen(h)orde III

  
  
        Ach, de fysieke verschijningen die soms voor vrouwen moeten doorgaan, dacht de directeur terwijl hij zich een tweede borrel inschonk. Meewarig maar ook nog enigszins beschaamd dacht hij aan een enkel avontuurtje dat zijn leven bijkans een andere wending had gegeven. Lang geleden, hij was net gewijd, kon hij de decaan van het seminarie overtuigen om hem een korte vakantie toe te staan. Met de rugzak en zonder soutane was hij door Midden-Europa getrokken, via Duitsland naar Italië met Vaticaanstad als einddoel, het ultieme excuus volgens zijn mentor. Onderweg, net over de grens in Oostenrijk, voelde hij zich aangetrokken door een imposant, deels vervallen kasteel waar zich een commune van artiesten van allerlei pluimage ophield. Het was een gesloten, afstandelijk groepje dat niet van pottenkijkers hield, maar hij kon er toch, zij het na intern geredetwist, overnachten in een schuur. Aanvankelijk was hij geïmponeerd geraakt door de leider van de groep, een soort sjamaan met een semi-religieuze uitstraling, die zich steevast ‘kunstenaar’ liet noemen. Eén van zijn discipelen, een jonge, trotse vrouw met donkere ogen en een mysterieuze blik, begon hem als eenzame buitenstaander doelbewust te benaderen. Toen hij haar bekende dat hij een celibaatgelofte had afgelegd, bekende zij op haar beurt dat het dan haar taak was om hem te ontmaagden. Zeven nachten lang had hij zijn hoofd op hol laten brengen door haar zwoele stem, haar resolute handen en een lijf waarvan elke spier gespannen leek om hem voor de eeuwigheid te verleiden. Hij had het zich allemaal in een gelukzalige roes laten welgevallen en het gaf hem plots de kracht om alle verboden en geloftes van wat hij toen nog steeds als een onzekere roeping beschouwde, naast zich neer te leggen. Tot hij stilaan tot het besef kwam dat zij nog met veel andere mannen, kameraden noemde zij hen, het bed deelde en dat zij op zijn zachtst gezegd er wel erg bijzondere seksuele voorkeuren op nahield. Ontnuchterd, maar ook ontgoocheld in haar en vooral in zichzelf, had hij na een hectische week zijn boeltje genomen en was hij teruggekeerd naar huis, met de staart tussen de benen. Rome had hij nooit bereikt.
  
        Zijn afkeer van direct fysiek contact was er alleen maar groter door geworden. Onthouding was hij stilaan als een vorm van overleven gaan beschouwen, met het vergaren van kennis en een onvoorwaardelijk geloof in het hogere als wapens in de strijd tegen de teloorgang van goede manieren en een duidelijke moraal. Ook de drank werd meer en meer een middel om zich recht te houden in een maatschappij waar alles in twijfel werd getrokken. Hij wist maar al te goed dat net zijn drankprobleem en de daarbij horende ontreddering ooit zijn ondergang zouden inluiden. Alhoewel, voorlopig had hij alles best onder controle. Overdag dronk hij enkel jenever, wat bijna geen geur of andere sporen achterliet, ‘s avonds kon hij zich op zijn kamer, omringd door de meesters van de Franse literatuur, ongebreideld wijden aan het proeven van de meest exquise wijnen en sterke dranken. Elke week werd er discreet een karton op het kasteeltje geleverd; de vader van één van zijn probleemleerlingen was groothandelaar en importeur, kende zij zwakheid maar al te goed en speelde daar handig op in. Alleen zuster Kristien trok af en toe een wenkbrauw op, wanneer zij zuchtend en steunend de zware doos naar boven had gesleurd en hem nahijgend beschuldigend aankeek. Maar voor de rest deed zij er het zwijgen toe, als een volleerde slotzuster.
  
  

20:36 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: pulp, welpen, horde, orde, roedel

16-06-10

Welpen(h)orde II

  
  
        Er werd op de deur geklopt, zacht, ietwat aarzelend. Hij wist dat het mevrouw Brijs was; zij was de enige die het intercomsysteem steevast weigerde te gebruiken. Toch drukte hij op de groene knop in plaats van haar mondeling binnen te laten.
‘Goedemorgen, meneer de directeur.’ Ze legde de appellijsten op zijn bureau.
‘Goedemorgen, mevrouw Brijs. Zijn er opvallende afwezigheden te melden?’
‘Neen, meneer, meestal griepgevallen - het is de tijd van het jaar, weet u - de meeste zijn telefonisch door de ouders gemeld met de melding dat er nog een doktersbriefje volgt.’
‘Mooi zo, u mag beschikken’, zei hij formeel.
‘Dank u’, ze draaide zich om, trippelde koket uit zijn gezichtsveld en sloot de deur zodanig dat het slot amper een geluid maakte.
Een vrouw met een rok en naaldhakken! De tijden waren ook hier aan het veranderen! Tot voor kort was dit college een exclusief mannelijke bastion geweest, maar door de nieuwe arbeidswetgeving kon hij er moeilijk onderuit om eveneens vrouwelijk kandidaten toe te laten. Voorlopig enkel voor de administratieve vacatures, maar ook dat zou in de toekomst veranderen, dat wist hij zeker. Natuurlijk had hij ondertussen het been stijf kunnen houden en ze enkel en alleen maar kunnen toelaten om voor de vorm te solliciteren, maar de kandidatuur van de echtgenote van een vooraanstaande licentiaat die in de schoolraad als afgevaardigde van het onderwijzend personeel zetelde, had hij moeilijk zo maar naast zich neer kunnen leggen. Bovendien had zij meer dan de vereiste referenties en kwalificaties. Onder lichte druk van de schoolraad was hij uiteindelijk gezwicht en, als hij eerlijk was, beklaagde hij het zichzelf niet; ze deed haar job als secretaresse meer dan behoorlijk en haar verschijning stemde hem elke keer inwendig enigszins vrolijk. De gespannenheid waarmee hij haar benaderde had meer te maken met een verworven onwennigheid en met een zekere onrust over de vraag of zijn collega-priesters haar en de vrouwen die haar onvermijdelijk zouden volgen een plaats konden geven in de stilaan wereldvreemde combinatie van een moderne onderwijsinstelling met een kleine kloostergemeenschap.
  
        Het klooster was gelegen in een wat onderkomen kasteel in een park dat het college aan westelijke en zuidelijke zijde omsloot. Na de oorlog had het bisdom het park aangekocht om in een gedeelte ervan een katholieke school te bouwen, als verweer tegen het oprukkend gemeenschapsonderwijs dat zich vooral in de directe rand van de grote stad meer en meer deed gelden. Het kasteel zelf had een ietwat kwalijke reputatie; tijdens de oorlog had de bezetter het namelijk geconfisqueerd als hoofdkwartier van de Gestapo.
Het Bisschoppelijk Lyceum, zoals de school zichzelf noemde, trok vooral jongens aan uit de plaatselijke middenklasse, maar bood tevens een alternatief aan diegenen die de strenge eisen van de colleges in de binnenstad en de groene randgemeenten te zwaar vonden. De bovenverdieping van het kasteel werd ingericht als residentie van een kleine gemeenschap van geestelijken die niet onder één of andere orde vielen, maar door het bisdom pragmatisch waren geïnstalleerd. Het amalgaam van die gemeenschap bestond uit zeven priesters en één zuster die het eten en de was en de plas verzorgde. De directeur wist dat onder de leerlingen de wildste verhalen de ronde deden over zuster Kristien. Dat zij zich tijdens de oorlogsjaren had ontpopt tot een soort wolvin van de SS en nu de plaatselijk clerus bediende op al hun vleselijke begeerten, maar wie haar ooit in levende lijve had gezien en vooral gehoord, wist wel beter; geen zinnig mens, laat staan een man, zou zich door dit schepsel het hoofd op hol kunnen laten brengen. Ze was aartslelijk en verstond de kunst om met haar tieren en kijven iedereen op de zenuwen te werken, behalve haar twee stratiers, twee reuen die haar overal volgden, de één hinkend omdat hij een poot miste, de ander potdoof en dus schichtig en vals. Ze stak hen voortdurend restjes toe die ze opdiepte uit de spelonken van haar zwart nonnenkleed. Hun trouw werd niet beloond maar afgekocht.
  
  

20:10 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: orde, roedel, pulp, welpen, horde

13-06-10

Welpen(h)orde I

  
  
 
       De priester stak een cigarillo op en schonk zichzelf de eerste borrel in, een jonge jenever van het merk Hertekamp. Door het raam keek hij uit over de twee verdiepingen lager gelegen speelplaats. Jongens van de lagere graad renden als een bende jonge honden achter elkaar aan of ze speelden een soort handbal. Hij zag niemand voetballen. Gelukkig maar, want één van zijn verordeningen verbood dit uitdrukkelijk. Een ietwat belachelijke richtlijn, dat wist hij wel, maar het bespaarde de school onnodige glas- en andere breuken en het verplichtte de leerlingen om een beroep te doen op hun fantasie om minder heftige balsporten te verzinnen. De oudere jongens stonden in groepjes bij mekaar, vooral rond de toiletten. Waarom die omgeving hen aantrok, was hem niet echt duidelijk; de geur was er nu niet bepaald aantrekkelijk, maar hij vermoedde dat ze op die plek het komen en gaan van de hele speelplaats in het oog konden houden. De meeste derdegraads rookten, wat hen ook werd toegelaten zolang ze hun peuken maar niet op de grond gooiden. Daartoe had hij het zevende metaal van de naburige vakschool grote roestvrije asbakken laten construeren.
  
       
Orde en discipline waren mooie zaken, bedacht hij, zolang ze maar geen doel op zich werden. In de acht jaar dat hij nu directeur van dit college was, had hij zowel de leerlingen als het lerarencorps kunnen overtuigen van een aantal ongeschreven regels. Alhoewel een aantal van zijn collega’s steevast bleef argumenteren dat zachte heelmeesters stinkende wonden maakten, begonnen die regeltjes in het beste geval een eigen leven te leiden. De twee leerkrachten van wacht kuierden gemoedelijk over de speelplaats. Sommige leerlingen benaderden hen en gaven hen een hand, waarna ze zich, zonder verdere plichtplegingen, terug tot het spel richtten. Nog zo een geplogenheid waarvan niemand de oorsprong kende, maar die een zekere, latent aanwezige rangorde duidelijk maakte: er waren strebers en rebellen, onachtzamen en pragmatici. Net zoals in de wereld buiten de schoolpoort. Onder het dichte gebladerte van de drie wilde kastanjebomen kon hij vaag enkele jongens ontwaren die initialen of wat dan ook in de schors van afgevallen takken kerfden. De tuchtprefect had hem hiervan ooit verschrikt melding gemaakt, maar zolang er geen bloed vloeide, was hij niet van plan het gebruik van zakmessen te verbieden. Wie een gouden horloge en een zakmes kreeg voor zijn plechtige communie, zou dit als opgroeiende volwassene wel weten te plaatsen, was zijn devies. Al bij al doe ik het toch niet slecht, dacht hij voldaan terwijl hij zijn glas leegdronk. Toen het belsignaal ging, nam hij een laatste trek van zijn sigaartje en keek hij toe hoe de ruim achthonderd leerlingen zich per klas in rijen begonnen te verzamelen.
  
       
In de gangen ontstond een aanzwellend rumoer dat tot in zijn bureau hoorbaar was. Na een viertal minuten zou dit uitdeinen, wist hij. Wat er zich daarna in de klaslokalen zou afspelen, daarover was hij minder zeker. Over het algemeen had hij een onvoorwaardelijk vertrouwen in zijn korps, maar er waren hem laatst enige onregelmatigheden ter ore gekomen over een jonge, beginnende leerkracht aardrijkskunde in de eerste graad, ene meneer Voet, die zich nogal vrijpostig scheen te gedragen tegenover bepaalde leerlingen. Hij moest dit dringend dieper onderzoeken; ook geruchten kunnen een eigen leven leiden, wist hij uit ervaring. Gelukkig was de man in kwestie geen collega-priester en zou een vertrouwelijk gesprek van man tot man kunnen volstaan om elke onduidelijkheid in der minne te regelen. Met zachte dwang als het moest, tenslotte was een vaste benoeming in het onderwijs iets waarmee je voorzichtig omsprong. De schoolstrijd mocht dan al lang gestreden zijn, het bleven roerige en dus onzekere tijden voor iemand die een carrière in het vrij onderwijs ambieerde…
 
 
  

22:40 Gepost in Teksten | Commentaren (2) | Tags: roedel, orde, horde, welpen, pulp

09-09-09

Volg-orde

 
 


 
 

01:35 Gepost in Muziek | Commentaren (0) | Tags: volg, orde