04-07-10

Vossenhol / intro

  
  
        In tegenstelling tot grote steden die een stroom langs beide oevers omarmen, had deze stad zich net door het water laten begrenzen. Er werden wat tunnels gegraven en dat was het dan: de andere oever werd als een overzijde beschouwd waar men amper iets mee te maken wilde hebben, behalve om de haven uit te breiden, woonkazernes weg te stoppen of energiecentrales neer te planten. Nochtans barstte de stad uit haar voegen. Kort na de oorlog begon de uittocht, eenzijdig naar de directe oostelijke en noordelijke rand. Een voorstad groeide maar ook nu bleek de drang om de dingen op te splitsen, om zich een plaats op te eisen aan deze of gene zijde van een geografisch of sociale grens, zich algauw te doen gelden.
  
        Zo ontwikkelde de randgemeente zich gestaag verder aan weerszijde van een drukke invalsweg: een pompende ader die door de middenstand en het steeds drukker wordende verkeer werd opgeëist. Langs de noordelijk kant werden drassige weiden opgehoogd en nieuwe straten aangelegd, waarin aarzelend een nieuw leven kon worden geleefd. De andere kant bleef wat het altijd was geweest: een wijk die zich wat onbestemd had genesteld tussen pakhuizen en kleine fabrieken. Het weinige aantrekkelijke van deze buurt, de aanwezigheid van water bijvoorbeeld, een dok waarin lichters geduldig wachtten om volgestouwd het kanaal op te varen, werd overschaduwd door een constant gezoem van bloemmolens en de weeë geur van veevoeders. De Boerenbond had zich van dit laatste stedelijk residu onherroepelijk meester gemaakt. De buurtbewoners die het zich konden permitteren, lieten zich onteigenen en trokken naar de overkant, de meest fortuinlijken naar het groen, zo ver mogelijk weg van de stad. Wie overbleef, probeerde de geuren en geluiden gewoon te worden. De rest is geschiedenis, een geschiedenis.
  
        De jonge vrouw zat nu al meer dan een uur, na drie schamele glazen goedkope, rode wijn, voor zich uit te staren en iedereen in café ‘t Dokske kreeg het er stilaan van op de heupen. Zelfs de Marcel, die zijn handen er normaal niet voor omdraaide om luidruchtige dokwerkers die te diep in het glas hadden gekeken resoluut en hardhandig als het moest de deur te wijzen, was niet in zijn doen. Ongemakkelijk laveerde hij vanachter zijn toog naar het tafeltje van de vaste klanten om hun bestellingen te noteren en deze, tegen zijn gewoonte in, aan hun tafel te serveren.
  
  

16:00 Gepost in Teksten | Commentaren (1) | Tags: vossenhol, roedel, voorstad, pulp, intro

29-06-10

Welpen(h)orde VI

   
   
        ‘Commissaris, laat ons open kaart spelen. We weten allebei dat je komst niets met een beleefdheidsbezoekje te maken heeft. Wat is het probleem?’
‘Hugo, begin de zaak nu niet te chargeren! Ik kom hier enkel als een goede vriend en het laatste wat ik zou willen is dat je je door mij op de korrel genomen zou voelen…’
‘Wat is er dan?’
‘Een ongemakkelijke situatie, meer niet. Eerst wil ik wel nog een borrel, als het niet derangeert.’
De directeur nam de fles en zette deze op het bureau, aan de kant van de bezoeker. ‘Bedien jezelf, het is je van harte gegund.’
‘Graag. Normaal gezien drink ik niet in uniform, maar het zou wat potsierlijk overkomen als ik me hier nu zou beginnen uitkleden.’ De agent schaterlachte. ‘Nu even serieus,’ begon hij nahikkend, ‘er zijn klachten binnengekomen, over een aantal jongens, van de eerste graad vermoed ik, volgens de beschrijvingen zijn ze amper twaalf à dertien jaar.’
De directeur liet zich in zijn bureaustoel ploffen, hopend dat de agent niets had gemerkt van het gevoel van opluchting dat hem overviel. ‘Wat is er gebeurd, gaat het over vechtpartijen, over winkeldiefstallen, verkeersovertredingen of over wat dan ook waarmee overijverige pubers de brave burger ambeteren?’
‘Het is van een andere orde, iets waar wij, als ordehandhavers, niet echt raad weten. Een aantal jongens heeft zich toegang verschaft tot een leegstaand pand. Ze hebben er een soort clubhuis geïnstalleerd. Meer niet, maar ook niet minder.’
‘En zijn het leerlingen van deze school?’
‘Vermoedelijk wel. ‘t Zijn er in ieder geval geen van de vakschool, daar zien ze volgens de buren niet naar uit.’
De directeur haalde zich beelden voor de geest die hij op televisie had gezien, waarbij zwaarbewapende ordetroepen in een naburig land zogenaamde krakers hardhandig uitdreven en, als een soort statement, alle huisraad uit de ramen kieperden. Hoe hoger de verdieping, hoe hoger de ontzetting en hoe hoger het ontradend effect, zo leek het, als een economisch principe, als een eenvoudige kosten-batenanalyse, maar overduidelijk voor iedereen, dat wel.
‘Drijf hen er uit, je kan beschikken over gekwalificeerd personeel.’
‘Zo simpel is het niet. Voorlopig is er geen enkele officiële klacht; het blijkt dat de eigenaar van het pand, een obscure patrimoniumvennootschap, in het buitenland is geregistreerd. Zolang deze zich niet als burgerlijke partij laat horen, kunnen wij eigenlijk niets ondernemen. En zoals het er momenteel voorstaat, zou het hem ook helemaal niet interesseren, hij wacht geduldig op een sloopvergunning.’
‘Komaan, als één van mijn leerlingen met zijn fiets een eenrichtingsstraat negeert, wordt hij beboet!’
‘Op de openbare weg hebben we voorlopig nog enige bevoegdheden, maar op privaat terrein ligt het helemaal anders.’
‘En wat als de openbare orde er wordt verstoord?’
‘Zover ik weet wordt er niets illegaals verhandeld, gebruikt of tentoongesteld.’
‘Doen die jongens eigenlijk wel iets verkeerd?’
‘Wettelijk gezien niet en dat is net de reden waarom ik hier ben, op informele basis.’
‘Zijn er ook meisjes bij betrokken?’
‘Volgens mijn informatie niet. Nog niet.’
De directeur besefte dat het bezoek van de commissaris pas nu zijn ware toedracht zou prijsgeven.
  
  

20:33 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: roedel, pulp, welpen, horde, orde

26-06-10

Welpen(h)orde V

  
  
        Bruusk werd hij gestoord in zijn overpeinzingen; de intercom begon indringend te zoemen. Hij nam de hoorn op en zei met afgemeten stem: ‘Wat is er?’
‘Mijnheer de directeur,’ het was de krakende stem van de conciërge, ‘de commissaris van de politie wilt u spreken.’
‘Laat hem vijf minuten wachten bij het onthaal en stuur hem daarna maar naar boven.’
‘Naar uwen bureau?’
‘Natuurlijk,’ antwoordde hij bars en smeet de hoorn neer. O, wat kon die oude onderkruiper van een concierge hem toch ergeren. Met zijn samenzweerderig geknipoog en zijn slepend been, een overblijfsel van een onzalige behandeling die hem net na de oorlog te beurt was gevallen. Met zijn staat van dienst als rijkswachter maar zonder recht op een pensioen had hij de vorige directeur kunnen overtuigen om hem voor het leven aan te nemen als manusje-van-alles. Uit menslievendheid of uit een eerder politieke sympathie, wie zal het zeggen, maar waarschijnlijk waren het zijn onvoorwaardelijke loyaliteit en het uiterst karige loon die de doorslag hadden gegeven. De directeur begon wat dossiers op zijn bureau te schikken, kwestie om de indruk te wekken dat hij overstelpt werd door het vele werk. Exact vijf minuten na het telefoontje, lichtte het oranje lichtje van de intercom op. Hij drukte op de groene knop en liet zich zuchtend in de bureaustoel zakken.
  
        ‘Mijnheer de directeur,’ de commissaris stormde in vol ornaat en met uitgestrekte hand op hem af. Met de andere hand nam hij zijn kepie af en legde die doodgemoedereerd boven op een stapel dossiers. De directeur stond moeizaam op en hoopte dat dit de bezoeker niet zou zijn ontgaan, schudde de ander de hand en gebaarde dat deze kon gaan zitten. In de deuropening stond de conciërge nieuwsgierig te staren. Toen hij de strenge blik van zijn baas eindelijk gewaar werd, verschoof hij zich achterwaarts, als een ongewerveld dier, maar met minder stijl. De deur viel in het slot.
‘Commissaris, mag ik u iets aanbieden?’
De agent keek veelbetekenend naar het dressoir in de hoek, naar de fles Hertekamp en het kistje sigaren. ‘Een aperitiefje kan ik best gebruiken en één van uw voortreffelijke sigaartjes kan mij altijd bekoren, dat weet u.’
De directeur stond op, nam een borrelglaasje en zette het voor de agent neer, met opvallend vaste hand schonk hij het glas tot net aan de rand vol. Het sigarenkistje plaatste hij er naast, nam er zelf één uit en rook er ostentatief aan, maar bleef opvallend rechtstaan. ‘Tast toe,’ zei hij minzaam.
‘Drinkt u niet mee?’
‘Het is nog wat vroeg. Ik hou graag het hoofd helder.’
‘Dat is het voordeel wanneer je met overtreders te maken hebt, je klanten willen niets liever dan dat je beantwoordt aan hun diffuse denkpatronen.’
‘Ik beschouw mijn leerlingen niet als klanten, zeker niet als overtreders.’
‘Dat bedoel ik net.’ De commissaris trok zelfvoldaan aan zijn sigaartje en nam een gretige slok.
  
  

18:05 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: roedel, horde, orde, welpen, pulp

24-06-10

Welpen(h)orde IV

  
  
        De erotiek of een artefact daarvan bewaarde hij voor de late uurtjes, wanneer het klooster in volledige stilte was gehuld. Als de goesting hem bij zijn nekvel nam en de drank hem niet te veel had beneveld, dan schoof hij het verzameld werk van Proust opzij. Achter zijn immense bibliotheek verschool zich immers een bonte verzameling aan pornografische foto’s en publicaties.
   
        Minstens één maal per trimester begaf hij zich, tegen valavond en getooid met zonnebril en een lichtgrijs kostuum, met vaste tred naar de oude stad, naar een obscuur winkeltje, gespecialiseerd in zeldzame munten. De eigenaar, een voormalige studiegenoot van hem die in een bevlogen moment zijn kap over de haag had gegooid, was naast een expert in numistiek tevens een marchand in onbetaalbaar geachte perversies, op papier weliswaar. Voor harde valuta konden vaste klanten zich discreet, onder de toog, de aanzet tot ultieme fantasieën toe-eigenen. Gaandeweg had de directeur zich een collectie verzameld die beantwoordde aan wat hem enerzijds met afschuw, anderzijds met verrukking  vervulde: gewillige dames die het deden met alles wat zich onbeschaamd toegang verschafte tot al hun denkbare lichaamsopeningen. Een bijzondere voorkeur koesterde hij voor seksuele handelingen waar honden bij betrokken waren, hun omzwachtelde klauwen en spitse roeden hadden iets aandoenlijk en de meisjes keken de reuen steevast vertederd in de ogen. Het morsige dat de scènes opriepen deden hem soms terugdromen over zijn korte vakantie in Oostenrijk. Hij was er zich maar al te goed van bewust dat de goegemeente zijn interesse als ongezond en onnatuurlijk, misschien wel als illegaal, zou bestempelen, maar anderzijds had hij niet het gevoel dat hij iemand benadeelde; de honden leken goed behandeld te worden en de meisjes konden misschien eindelijk hun studies betalen zonder zwanger te worden. Honi soit qui mal y pense, dacht hij, bijna opstandig, ik val tenminste niemand lastig met mijn vieze prentjes! Dat sommigen van zijn confraters de daad bij het woord voerden met gewillige koorknapen en geïntimideerde misdienaars, vervulde hem echter met deernis en weerzin. Van kinderen blijf je af; je kan ze, zelfs als ze er niet zelf om vragen, volproppen met een overdosis aan kennis of ze met harde hand goede manieren proberen bij te brengen, je mag ze zelfs ongelukkig maken als voorbode op de onverbiddelijke toekomst die hen wacht. Zij op hun beurt, mogen de hand bijten die hen voedt en zich afkeren van de meelijwekkende troost die hun opvoeding hen biedt. Maar kinderen mag je nooit voor het leven tekenen. Nooit.
  
  

01:03 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: pulp, roedel, welpen, horde, orde

21-06-10

Welpen(h)orde III

  
  
        Ach, de fysieke verschijningen die soms voor vrouwen moeten doorgaan, dacht de directeur terwijl hij zich een tweede borrel inschonk. Meewarig maar ook nog enigszins beschaamd dacht hij aan een enkel avontuurtje dat zijn leven bijkans een andere wending had gegeven. Lang geleden, hij was net gewijd, kon hij de decaan van het seminarie overtuigen om hem een korte vakantie toe te staan. Met de rugzak en zonder soutane was hij door Midden-Europa getrokken, via Duitsland naar Italië met Vaticaanstad als einddoel, het ultieme excuus volgens zijn mentor. Onderweg, net over de grens in Oostenrijk, voelde hij zich aangetrokken door een imposant, deels vervallen kasteel waar zich een commune van artiesten van allerlei pluimage ophield. Het was een gesloten, afstandelijk groepje dat niet van pottenkijkers hield, maar hij kon er toch, zij het na intern geredetwist, overnachten in een schuur. Aanvankelijk was hij geïmponeerd geraakt door de leider van de groep, een soort sjamaan met een semi-religieuze uitstraling, die zich steevast ‘kunstenaar’ liet noemen. Eén van zijn discipelen, een jonge, trotse vrouw met donkere ogen en een mysterieuze blik, begon hem als eenzame buitenstaander doelbewust te benaderen. Toen hij haar bekende dat hij een celibaatgelofte had afgelegd, bekende zij op haar beurt dat het dan haar taak was om hem te ontmaagden. Zeven nachten lang had hij zijn hoofd op hol laten brengen door haar zwoele stem, haar resolute handen en een lijf waarvan elke spier gespannen leek om hem voor de eeuwigheid te verleiden. Hij had het zich allemaal in een gelukzalige roes laten welgevallen en het gaf hem plots de kracht om alle verboden en geloftes van wat hij toen nog steeds als een onzekere roeping beschouwde, naast zich neer te leggen. Tot hij stilaan tot het besef kwam dat zij nog met veel andere mannen, kameraden noemde zij hen, het bed deelde en dat zij op zijn zachtst gezegd er wel erg bijzondere seksuele voorkeuren op nahield. Ontnuchterd, maar ook ontgoocheld in haar en vooral in zichzelf, had hij na een hectische week zijn boeltje genomen en was hij teruggekeerd naar huis, met de staart tussen de benen. Rome had hij nooit bereikt.
  
        Zijn afkeer van direct fysiek contact was er alleen maar groter door geworden. Onthouding was hij stilaan als een vorm van overleven gaan beschouwen, met het vergaren van kennis en een onvoorwaardelijk geloof in het hogere als wapens in de strijd tegen de teloorgang van goede manieren en een duidelijke moraal. Ook de drank werd meer en meer een middel om zich recht te houden in een maatschappij waar alles in twijfel werd getrokken. Hij wist maar al te goed dat net zijn drankprobleem en de daarbij horende ontreddering ooit zijn ondergang zouden inluiden. Alhoewel, voorlopig had hij alles best onder controle. Overdag dronk hij enkel jenever, wat bijna geen geur of andere sporen achterliet, ‘s avonds kon hij zich op zijn kamer, omringd door de meesters van de Franse literatuur, ongebreideld wijden aan het proeven van de meest exquise wijnen en sterke dranken. Elke week werd er discreet een karton op het kasteeltje geleverd; de vader van één van zijn probleemleerlingen was groothandelaar en importeur, kende zij zwakheid maar al te goed en speelde daar handig op in. Alleen zuster Kristien trok af en toe een wenkbrauw op, wanneer zij zuchtend en steunend de zware doos naar boven had gesleurd en hem nahijgend beschuldigend aankeek. Maar voor de rest deed zij er het zwijgen toe, als een volleerde slotzuster.
  
  

20:36 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: pulp, welpen, horde, orde, roedel

16-06-10

Welpen(h)orde II

  
  
        Er werd op de deur geklopt, zacht, ietwat aarzelend. Hij wist dat het mevrouw Brijs was; zij was de enige die het intercomsysteem steevast weigerde te gebruiken. Toch drukte hij op de groene knop in plaats van haar mondeling binnen te laten.
‘Goedemorgen, meneer de directeur.’ Ze legde de appellijsten op zijn bureau.
‘Goedemorgen, mevrouw Brijs. Zijn er opvallende afwezigheden te melden?’
‘Neen, meneer, meestal griepgevallen - het is de tijd van het jaar, weet u - de meeste zijn telefonisch door de ouders gemeld met de melding dat er nog een doktersbriefje volgt.’
‘Mooi zo, u mag beschikken’, zei hij formeel.
‘Dank u’, ze draaide zich om, trippelde koket uit zijn gezichtsveld en sloot de deur zodanig dat het slot amper een geluid maakte.
Een vrouw met een rok en naaldhakken! De tijden waren ook hier aan het veranderen! Tot voor kort was dit college een exclusief mannelijke bastion geweest, maar door de nieuwe arbeidswetgeving kon hij er moeilijk onderuit om eveneens vrouwelijk kandidaten toe te laten. Voorlopig enkel voor de administratieve vacatures, maar ook dat zou in de toekomst veranderen, dat wist hij zeker. Natuurlijk had hij ondertussen het been stijf kunnen houden en ze enkel en alleen maar kunnen toelaten om voor de vorm te solliciteren, maar de kandidatuur van de echtgenote van een vooraanstaande licentiaat die in de schoolraad als afgevaardigde van het onderwijzend personeel zetelde, had hij moeilijk zo maar naast zich neer kunnen leggen. Bovendien had zij meer dan de vereiste referenties en kwalificaties. Onder lichte druk van de schoolraad was hij uiteindelijk gezwicht en, als hij eerlijk was, beklaagde hij het zichzelf niet; ze deed haar job als secretaresse meer dan behoorlijk en haar verschijning stemde hem elke keer inwendig enigszins vrolijk. De gespannenheid waarmee hij haar benaderde had meer te maken met een verworven onwennigheid en met een zekere onrust over de vraag of zijn collega-priesters haar en de vrouwen die haar onvermijdelijk zouden volgen een plaats konden geven in de stilaan wereldvreemde combinatie van een moderne onderwijsinstelling met een kleine kloostergemeenschap.
  
        Het klooster was gelegen in een wat onderkomen kasteel in een park dat het college aan westelijke en zuidelijke zijde omsloot. Na de oorlog had het bisdom het park aangekocht om in een gedeelte ervan een katholieke school te bouwen, als verweer tegen het oprukkend gemeenschapsonderwijs dat zich vooral in de directe rand van de grote stad meer en meer deed gelden. Het kasteel zelf had een ietwat kwalijke reputatie; tijdens de oorlog had de bezetter het namelijk geconfisqueerd als hoofdkwartier van de Gestapo.
Het Bisschoppelijk Lyceum, zoals de school zichzelf noemde, trok vooral jongens aan uit de plaatselijke middenklasse, maar bood tevens een alternatief aan diegenen die de strenge eisen van de colleges in de binnenstad en de groene randgemeenten te zwaar vonden. De bovenverdieping van het kasteel werd ingericht als residentie van een kleine gemeenschap van geestelijken die niet onder één of andere orde vielen, maar door het bisdom pragmatisch waren geïnstalleerd. Het amalgaam van die gemeenschap bestond uit zeven priesters en één zuster die het eten en de was en de plas verzorgde. De directeur wist dat onder de leerlingen de wildste verhalen de ronde deden over zuster Kristien. Dat zij zich tijdens de oorlogsjaren had ontpopt tot een soort wolvin van de SS en nu de plaatselijk clerus bediende op al hun vleselijke begeerten, maar wie haar ooit in levende lijve had gezien en vooral gehoord, wist wel beter; geen zinnig mens, laat staan een man, zou zich door dit schepsel het hoofd op hol kunnen laten brengen. Ze was aartslelijk en verstond de kunst om met haar tieren en kijven iedereen op de zenuwen te werken, behalve haar twee stratiers, twee reuen die haar overal volgden, de één hinkend omdat hij een poot miste, de ander potdoof en dus schichtig en vals. Ze stak hen voortdurend restjes toe die ze opdiepte uit de spelonken van haar zwart nonnenkleed. Hun trouw werd niet beloond maar afgekocht.
  
  

20:10 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: orde, roedel, pulp, welpen, horde

13-06-10

Welpen(h)orde I

  
  
 
       De priester stak een cigarillo op en schonk zichzelf de eerste borrel in, een jonge jenever van het merk Hertekamp. Door het raam keek hij uit over de twee verdiepingen lager gelegen speelplaats. Jongens van de lagere graad renden als een bende jonge honden achter elkaar aan of ze speelden een soort handbal. Hij zag niemand voetballen. Gelukkig maar, want één van zijn verordeningen verbood dit uitdrukkelijk. Een ietwat belachelijke richtlijn, dat wist hij wel, maar het bespaarde de school onnodige glas- en andere breuken en het verplichtte de leerlingen om een beroep te doen op hun fantasie om minder heftige balsporten te verzinnen. De oudere jongens stonden in groepjes bij mekaar, vooral rond de toiletten. Waarom die omgeving hen aantrok, was hem niet echt duidelijk; de geur was er nu niet bepaald aantrekkelijk, maar hij vermoedde dat ze op die plek het komen en gaan van de hele speelplaats in het oog konden houden. De meeste derdegraads rookten, wat hen ook werd toegelaten zolang ze hun peuken maar niet op de grond gooiden. Daartoe had hij het zevende metaal van de naburige vakschool grote roestvrije asbakken laten construeren.
  
       
Orde en discipline waren mooie zaken, bedacht hij, zolang ze maar geen doel op zich werden. In de acht jaar dat hij nu directeur van dit college was, had hij zowel de leerlingen als het lerarencorps kunnen overtuigen van een aantal ongeschreven regels. Alhoewel een aantal van zijn collega’s steevast bleef argumenteren dat zachte heelmeesters stinkende wonden maakten, begonnen die regeltjes in het beste geval een eigen leven te leiden. De twee leerkrachten van wacht kuierden gemoedelijk over de speelplaats. Sommige leerlingen benaderden hen en gaven hen een hand, waarna ze zich, zonder verdere plichtplegingen, terug tot het spel richtten. Nog zo een geplogenheid waarvan niemand de oorsprong kende, maar die een zekere, latent aanwezige rangorde duidelijk maakte: er waren strebers en rebellen, onachtzamen en pragmatici. Net zoals in de wereld buiten de schoolpoort. Onder het dichte gebladerte van de drie wilde kastanjebomen kon hij vaag enkele jongens ontwaren die initialen of wat dan ook in de schors van afgevallen takken kerfden. De tuchtprefect had hem hiervan ooit verschrikt melding gemaakt, maar zolang er geen bloed vloeide, was hij niet van plan het gebruik van zakmessen te verbieden. Wie een gouden horloge en een zakmes kreeg voor zijn plechtige communie, zou dit als opgroeiende volwassene wel weten te plaatsen, was zijn devies. Al bij al doe ik het toch niet slecht, dacht hij voldaan terwijl hij zijn glas leegdronk. Toen het belsignaal ging, nam hij een laatste trek van zijn sigaartje en keek hij toe hoe de ruim achthonderd leerlingen zich per klas in rijen begonnen te verzamelen.
  
       
In de gangen ontstond een aanzwellend rumoer dat tot in zijn bureau hoorbaar was. Na een viertal minuten zou dit uitdeinen, wist hij. Wat er zich daarna in de klaslokalen zou afspelen, daarover was hij minder zeker. Over het algemeen had hij een onvoorwaardelijk vertrouwen in zijn korps, maar er waren hem laatst enige onregelmatigheden ter ore gekomen over een jonge, beginnende leerkracht aardrijkskunde in de eerste graad, ene meneer Voet, die zich nogal vrijpostig scheen te gedragen tegenover bepaalde leerlingen. Hij moest dit dringend dieper onderzoeken; ook geruchten kunnen een eigen leven leiden, wist hij uit ervaring. Gelukkig was de man in kwestie geen collega-priester en zou een vertrouwelijk gesprek van man tot man kunnen volstaan om elke onduidelijkheid in der minne te regelen. Met zachte dwang als het moest, tenslotte was een vaste benoeming in het onderwijs iets waarmee je voorzichtig omsprong. De schoolstrijd mocht dan al lang gestreden zijn, het bleven roerige en dus onzekere tijden voor iemand die een carrière in het vrij onderwijs ambieerde…
 
 
  

22:40 Gepost in Teksten | Commentaren (2) | Tags: roedel, orde, horde, welpen, pulp

05-06-10

Kermis

  
  
         Hoogontwikkelde dieren leren gaandeweg om zich in het belang van de groep te ontfermen over wat zich zwak en breekbaar toont. De gretigheid waarmee dit proces zich bij de mens voltrekt zou menig dichter zorgen kunnen baren; een constante, te grote onderdruk zorgt er namelijk voor dat wankele harten alsmaar groter worden, tot ze uiteindelijk pompend uit hun voegen barsten of uitzinnig om zich heen schoppend (weliswaar met tranen in de ogen) om vergiffenis smeken.
 
       
Geef toe: niets is wat het lijkt, laat staan wat de meest overmoedige er in een onbewaakt moment van gelukzaligheid van verwacht, daartoe bedenkt de natuur getrouw, met instemmend gegrom van de omgeving, op tijd en stond een wederkerig ritueel, een schimmenspel van instinctieve, door ijdelheid ingegeven handelingen, door cynici ook wel kermis genoemd.
  
  

11:48 Gepost in Teksten | Commentaren (1) | Tags: pulp, kermis, roedel

01-06-10

Vossenhol V

  
  
        Ze keek hem ongelovig aan, maakte zich los en voelde met beide handen aan haar buik. ‘Als het een jongen is noem ik hem Marcel. Zonder familienaam.’ Haar stem klonk verassend mild en Marcel besefte nu pas hoe jong ze er eigenlijk uitzag, zelfs met die donker opgemaakte ogen en doorrookte stem.  
‘En als het een meisje is?’
‘Het is een jongen, dat voél ik, zoals hij me nu al schopt! Voel maar…’ Ze nam zijn hand en legde hem naast de hare. Marcel voelde zich week worden. Hanel zag het en zei glimlachend maar met een zweem van spot: ‘Je bent een oude, sentimentele dwaas.’
‘Dat weet ik.’
  
        ‘Kom, toon me het nest dat je voor me hebt gemaakt!’
‘Het is hier wat donker, maar als je de deur open laat, zal ik het licht op de gang laten branden.’
‘Het is in orde, maak je maar geen zorgen, ik trek mijn plan wel.’
‘Het toilet is achter het café.’
‘Dat weet ik ondertussen wel.’
‘Misschien wil je jezelf wat verfrissen…’ Hij keek bedeesd maar veelbetekenend naar de zoom van haar jurk.
‘Pfff, ik ben niet vies van mezelf.’
‘Heb je geen honger?’
‘Neen, nu wil ik alleen maar slapen. Slaapwel, Marcel.’
‘Hanel, zal je jezelf goed verzorgen?’
‘Ik sta mijn mannetje wel, als je dat bedoelt.’
‘En het kind? Wat verwacht jij van het kind?’
‘Misschien wel dat het mijn leven zal redden.’
‘Dat meen je niet…’
‘Toch wel,’ zei ze beslist.
‘Eh…’
‘Slaap wel, Marcel.’ Haar stem klonk zwak maar nadrukkelijk.
‘Slaapwel.’ Marcel besefte dat hij ontgoocheld moest hebben geklonken. Bedremmeld slofte hij de trap op en wist dat hij onrustig zou slapen.
  
Het gebeurt wel vaker in de natuur dat een wolvin genoegen neemt met een verlaten vossenhol of dassenburcht om haar nest in te richten.
  
  

18:39 Gepost in Teksten | Commentaren (1) | Tags: pulp, vossenhol, roedel

26-05-10

Vossenhol IV

   
  
        In de kleerkast vond hij een proper maar ongestreken laken en uit een grote kartonnen doos van Sole Mio haalde hij een dik wollen deken. Van het bed graaide hij één van de twee hoofdkussens mee. Moeizaam daalde hij de trap af, voorzichtig elke tree aftastend want met al dat beddengoed kon hij amper naar beneden kijken. Hij legde het hoofdkussen aan het verste eind van het veldbed en drapeerde onhandig het laken en de deken over het geheel. Het was er krap, besefte hij, maar ze moest de deur maar laten openstaan, anders zou ze zich wel opgesloten voelen, als een gekooid dier en dat was niets voor haar. Toen hij zachtjes de deur naar het café opende, zag hij haar eerst niet. Het bleek dat ze achter de toog druk maar gedempt aan het telefoneren was, in het Duits, zo klonk het. Ze merkte hem op en reageerde alsof hij haar betrapt had. ‘Tschüs,’ zei ze haastig en legde de hoorn abrupt neer. Marcel stond haar wat onwennig aan te staren, maar toen ze moeizaam naar hem glimlachte, voelde hij zijn hart smelten. Zij wees op het briefje van 1000 francs op de toog. ‘Volstaat dat, voor al de last die ik je bezorg?’
‘Dat is niet nodig,’ stamelde hij.
‘Koop er maar wat speelgoed voor de kinderen mee, dan moet je je niet schuldig voelen.’
‘Voelt u zich al wat beter?’
‘Ja, ’t gaat wel, maar ik voel me ontzettend moe.’
‘Ik heb een bed voor u geïmproviseerd. Het is wel niet bepaald luxueus, maar…’
De vrouw kwam voorzichtig vanachter de toog, omarmde hem langzaam, legde haar hoofd met een zucht op zijn schouder en fluisterde, dicht bij zijn oor: ‘Je bent veel te goed voor mij. Weet je, ik ben het niet gewend dat er iemand voor me zorgt.’
Marcel wist geen raad met zichzelf en stond er hulpeloos bij, als een geslagen hond. Om zich een houding te geven stelde hij de vraag die hij haar al eerder in gedachten had gesteld: ‘Wie ben je eigenlijk, ik ken zelfs je naam niet…’
‘Is dat belangrijk?’
‘Voor mij wel, morgen zal je waarschijnlijk verdwenen zijn uit mijn leven. Ik ben slecht in het herinneren. Ik mis de verbeeldingskracht om herinneringen te koesteren en het lef om hen een plaats te geven, maar een naam kan ik onthouden.’
‘Hanel…’ klonk het zacht.
‘Zonder familienaam?’
‘Zonder familienaam.’
‘Heb je dan geen familie? Is er nergens een vader of moeder of wie dan ook die zich over jou zorgen maakt?'
Ze keek hem ongelovig aan...
  
  

21:53 Gepost in Teksten | Commentaren (1) | Tags: pulp, roedel, vossenhol

24-05-10

Ny

   
   
ny vossenhol
                      
   
                                         

18:33 Gepost in Foto's | Commentaren (0) | Tags: ny, vossenhol, roedel, pulp

21-05-10

Vossenhol III

  
  
        ‘Ik wil geen problemen, ik heb er al genoeg’, zei Marcel hees, ‘laat me de dokter van wacht bellen.’
‘Neen, geen dokter’, zei ze beslist, ‘heb je geen plekje waar ik even tot rust kan komen. Als ik me dan wat beter voel, vertrek ik ogenblikkelijk. Dat beloof ik je.’
Marcel aarzelde, zoals altijd wanneer er op zijn gemoed werd gespeeld. ‘Luister, ik heb op de gang nog een ingemaakte kast vol rommel waaronder een veldbed van toen ik in het leger zat. Ik ben zo terug, zet u ondertussen even…’
  
        Tussen het kuisgerief begon hij naarstig dozen te verschuiven, ergens achterin lag het veldbed onder een laag stof. Toen hij het gevonden had en het meeste stof verwijderd had, zette hij het routineus in mekaar. Er zijn dingen die je nooit meer zal verleren, dacht hij en herinnerde zich de afschuwelijke manoeuvres in weer en wind tijdens zijn dienstplicht als stormfuselier. Vervolgens ging hij de trap op om boven in zijn slaapkamer wat dekens te halen. Achter de deur van de living stond zijn oudste zoon hem schichtig op te wachten. ‘Wat gebeurt er allemaal, pappa? Ik hoorde zoveel lawaai beneden, dat ik dacht dat er weeral gevochten werd in het café. Ik hoorde een vrouw roepen en dacht dat het misschien ons mamma was…’
‘Maar neen, mijn jongen, er is alleen een vrouw die zich niet goed voelt. Ga nu maar slapen, uw pappa lost dat wel op.’
‘Die vrouw, is ze schoon?’
Marcel antwoordde aarzelend: ‘Ja, maar veel te jong en ze komt van een andere wereld.’
‘Is ze schoner dan mamma?’
‘Niemand is schoner dan uw mamma, dat weet ge toch.’ Marcel’s stem stokte.
‘Hebt ge uw huiswerk gemaakt?’, herpakte hij zich. De jongen knikte.
‘En zijn uw broer en zus goed gaan slapen?’
‘Ja, maar ze hebben nog lang in bed gebabbeld. Een half uur geleden heb ik het lichtje uitgedaan.’
‘Ge zijt een brave jongen.’ Maar met braaf zijn komt ge niet ver in deze wereld, dacht hij bitter. ‘Ga nu ook maar slapen, morgen is het vroeg dag.’
Hij trok de jongen naar zich toe en gaf hem een kus op het voorhoofd, die de zoon zich nog net liet welgevallen. Binnen het jaar moet ik dit niet meer proberen, besefte Marcel.
  
  

12:03 Gepost in Teksten | Commentaren (1) | Tags: pulp, vossenhol, roedel

18-05-10

Vossenhol II

  
  
        Hij schoof de grendel voor de deur en sloot de gordijnen. Vervolgens nam hij haar voorzichtig bij de arm en probeerde de rozige plas op de grond te vermijden. Toen hij haar aanraakte, leek ze te verstijven, keek ze hem met haar grote, donkere ogen verwijtend aan en siste: ‘Laat me met rust! Wat denk je wel, gore profiteur, dat ik zo één van die sloeries ben, een prooi die zich door de eerste de beste laat nemen!’
‘Ik wil je alleen maar helpen, goddomme!’
‘Hoe dan? Ga je de navelstreng doorbijten als het zover is?’, gilde ze uitzinnig.
Marcel vond dit akelig klinken en begon zich op te boeien. Wat had hij deze vrouw in godsnaam misdaan? Zijn stilzwijgende verontwaardiging was zelfs de vrouw niet ontgaan; overdreven verontschuldigend zei ze: ‘Sorry dat ik zo tekeer ging, je bent een goede man, dat voel ik, maar er zijn er ook andere…’ Er verscheen een bittere trek om haar mond. ‘Misschien ben ik er in mijn korte leven te veel van die laatste soort tegengekomen. Of ligt het aan mij, dat ik mij keer op keer door hen voel aangetrokken?’
‘De man wikt, de vrouw beschikt’, probeerde Marcel, een boutade waarmee hij onder de vaste klanten waarschijnlijk een goedkeurend gemompel had geoogst.
  
        Ze leed pijn, dat was duidelijk, maar voor hem was het niet zeker of die pijn iets met haar zwangerschap te maken had. Hij wist niet veel van vrouwenzaken af en begreep nog minder wat er zich allemaal in hun hoofd afspeelde. Zijn vrouw had hem dat meer dan eens verweten. Het café open houden en domme grapjes maken, dat was volgens haar het enige dat hij kon. O ja, hij was ook nog een goede vader, maar zij miste iemand met stijl en goede manieren die haar het leven minder saai en zuur zou maken. De Duitse vrouw had stijl, dat was duidelijk; ondanks haar verfomfaaide kleding en verward kapsel bezat ze een aristocratisch elan. Ze was nog jong, begin twintig schatte Marcel, maar reeds ervaren in een wankel evenwicht tussen peinzen en stoeien. Misschien is ze wel een in ongenade gevallen Oostenrijkse prinses, dacht hij, een soort Sissi op de vlucht. Ze had overigens iets van Romy Schneider, maar dan met een donker en bitter kantje en een meer uitgesproken profiel. In zijn gewone doen zou hij er een flauwe opmerking over maken, waarmee in het café smakelijk zou gelachen worden.
  
        In de Palace  hadden ze enkele maanden geleden de drie films na mekaar geprogrammeerd, een soort marathon voor de fans. Dat was de laatste keer dat Marcel en zijn vrouw nog eens samen waren uitgegaan, ze hadden een babysit geregeld zodat ze niet op een uur moesten kijken. Halverwege de trilogie had hij zijn vrouw achtergelaten om in de bar iets te drinken te halen. Toen hij opstond, negeerde zij hem en bleef ze halsstarrig met betraande ogen naar het scherm turen. Droom maar, dacht hij toen, ooit komt er wel een prins je halen, zo’n betweterige en onhandige intellectueel van adellijke afkomst die zich over een eenvoudige vrouw wil ontfermen. Het tweede deel had hij gemist omdat hij een grote dorst maar niet lessen kon.
  
  

23:21 Gepost in Teksten | Commentaren (1) | Tags: pulp, roedel, vossenhol

16-05-10

Vossenhol

  
  
        De jonge vrouw zat nu al meer dan een uur, na drie schamele glazen goedkope, rode wijn, voor zich uit te staren en iedereen in café ‘t Dokske kreeg het er stilaan van op de heupen. Zelfs de Marcel, die zijn handen er normaal niet voor omdraaide om luidruchtige dokwerkers die te diep in het glas hadden gekeken resoluut de deur te wijzen, was niet in zijn doen. Ongemakkelijk laveerde hij vanachter zijn toog naar het tafeltje van de vaste klanten om hun bestellingen te noteren en deze, tegen zijn gewoonte in, aan hun tafel te serveren.
‘Awel Marcel, schoon volk in huis. Maar ze zegt niet veel, hé. Wie is ‘t?’, fluisterde de schlemiel van dienst met een medeplichtige grijns hem toe.
Marcel negeerde de vraag, draaide zich abrupt om en verplaatste zijn aandacht naar de jukebox. Ook al tegen zijn gewoonte in, stak hij er zelf wat francs in en drukte meermaals op F7; Elvis zou hij nog net kunnen verdragen. De muziek schalde door het zo goed als lege café en versterkte het voorheen ingehouden geroezemoes aan het tafeltje van de vaste klanten. Aan de toog was er geen reactie te bespeuren. Het gebeurde wel meer dat er laat op de avond hoertjes binnenvielen, maar meestal vroegen die al na één koffie aan Marcel om een taxi te bellen. Zo snel mogelijk terug naar ‘t stad, was hun devies; hier waren er geen klanten te versieren. Marcel keek ostentatief op zijn horloge: het was al halftien. Nog twintig minuten, dacht hij, en dan was het tijd voor de laatste bestelling. Als het wat meezat, kon hij iets na tienen de deur sluiten en naar boven gaan, naar zijn drie kinderen. De twee jongsten zouden al slapen, de oudste zou waarschijnlijk over zijn huiswerk gebogen, zitten knikkebollen en met een half oor naar de radio luisteren.
 
        Er kwam die avond geen laatste bestelling; één voor één dropen de vaste klanten af. De meeste van hen deden argeloos teken dat hij hun schuld maar op de rekening moest zetten. Enkelen keken nieuwsgierig en meewarig tegelijk naar de vrouw aan de toog. De schlemiel knipoogde in Marcel’s richting en lachte zijn gele tanden bloot. Toen het laatste akkoord van One Night voor de zoveelste maal die avond uitstierf, sprak Marcel zijn laatste klant aarzelend toe: ‘Mevrouw, we gaan sluiten.’ Ze keek hem met grote, zwaar afgelijnde ogen aan. Marcel wist dat hij werd getaxeerd en voelde er zich, ondanks zijn breedgeschouderd postuur en ruig uiterlijk, ongemakkelijk bij.
‘Mag ik nog een laatste?’, vroeg ze, uitdrukkelijk articulerend met een verrassend zware stem, in het Nederlands, dat wel, maar met een ontegensprekelijk accent. Duits, vermoedde Marcel.
‘Mijn kinderen wachten boven op me…’
‘Hebben ze geen moeder die voor hen zorgt?’, reageerde ze scherp, op het uitdagende af.
‘Voor een tijdje niet, mijn vrouw is even weg…’
‘Met een ander.’, vulde ze hem ongevraagd aan, alsof het op zijn gezicht te lezen was. Haar grote ogen schenen door hem heen te kijken, wat Marcel een onheimelijk gevoel gaf. Om zich een houding te geven, begon hij af te wassen, met zijn rug naar de vrouw, die er voor de rest het zwijgen toe deed. Na een drietal minuten keerde hij zich ongemakkelijk om en tapte een pint voor zichzelf.
‘Wilt ú nog een glas wijn? Van het huis deze keer, maar dan wel het laatste…’
Ze bleef hem doordringend aankijken, maar antwoordde niet. Toen hij het glas voor haar neerzette, mompelde ze een soort bedanking, stak ze een sigaret op, maar liet de wijn onaangeroerd. Terwijl Marcel een sigaretje rolde, vroeg hij haar, quasi onverschillig: ‘Moet ik misschien een taxi bellen?’
‘Verhuur je geen kamers?’
‘Neen, daarvoor is het huis te klein en wie zou het in godsnaam in z’n hoofd krijgen om in deze buurt te komen logeren?’
‘Je hebt gelijk, het is hier benauwend.’ De vrouw stond plotseling op en opende de olijfgroene impermeabel die ze tot dan bijna angstvallig om zich heen had gesnoerd. Daaronder droeg ze een zwartzijden kleed dat er duur en exclusief uitzag en haar vormen nu pas tot hun recht liet komen. Ze was hoogzwanger, zelfs dat kon Marcel nu niet ontgaan zijn.
‘Zal ’t gaan?’, vroeg hij bezorgd.
‘Maak je over mij maar geen zorgen.’ Ze sloeg het glas wijn in één langzame teug achterover en draaide zich om. Haar hooggehakte laarzen klonken hard op de stenen vloer toen ze zich naar de deur wendde. Halverwege bleef ze wankelend staan, zuchtte diep en liet zich gelaten leegstromen. Mijn god, dacht Marcel, ook dat nog.
‘Moet ik echt geen taxi bellen?’, stelde hij haastig voor.
‘Neen, ik wil alleen maar even gaan liggen. Heb je geen bed voor me?’
Madame, wie u ook bent, maak het me niet moeilijk. Ik kan ook een ambulance bellen…’
‘Mar-cel’, ze sprak zijn voornaam uitdrukkelijk uit, in twee afgemeten lettergrepen, met dat gekke Duitse accent van haar. ‘Ik wil een nest, iets zacht en warm en veilig. Is dat zoveel gevraagd?’
  
 

23:06 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: pulp, roedel, vossenhol

12-05-10

Roedel

   
   
Roedel


                          
    
  

14:32 Gepost in Digitale sculpturen | Commentaren (5) | Tags: roedel, cover, pulp

01-05-10

Backstage in Berkenroth V

       
  
        In de kamer rook het naar oud zweet en bedorven adem. In plaats van resoluut de zware gordijnen open te schuiven om wat licht toe te laten en de ramen te openen om de lucht te zuiveren, liet ik me zuchtend op de rand van het bed zakken. Bedeesd vroeg ik: ‘Is alles in orde met je, mamma?’
‘Natuurlijk niet!’ siste haar stem vanonder de dekens, ‘ik heb honger en dorst, ik kwijn weg in dit koud en vochtig hol en niemand kijkt naar me om!’
‘Olga is hier en ik ben er nu toch ook.’
‘En ben je hier dan ook om mij graag te zien?’ klonk het ietwat snerend.
‘Ja, maar dan wil ik jou wel in de ogen kunnen kijken…’
De vorm onder de dekens kwam langzaam tot leven en draaide zich steunend om. Haar bleke, gerimpelde gezicht keek me uitgeput aan; resten van oogschaduw en lippenstift waren uitgelopen en haar grijze haren kleefden verward rond een opvallend kleine schedel. Moeizaam glimlachend zei ze: ‘Ik ben blij dat je er eindelijk bent. Welkom thuis, m’n jongen.’
‘…Thuis?’
  
  

24-04-10

Backstage in Berkenroth IV

   
   
        Het was de duisternis die me overmande toen ik de derde deur opende. Door het schaarse licht dat door zware gordijnen binnensijpelde, kon ik vaag een bed ontwaren met onder de dekens de contouren van twee lichamen. Ze leken in mekaar verstrengeld, maar zonder een bijhorend geluid. Enigszins ontsteld trok ik me terug en sloot de deur. Ik ademde diep in en voelde een steek in mijn linkerzij. Ik moet zien dat ik hier zo snel mogelijk wegkom, dacht ik angstig, misschien zijn hier wel dingen gebeurd die ik liever niet wil weten. Op dat moment hoorde ik een haastig geschuifel in de kamer. De deur ging open en Olga kwam verschrikt op de gang, ze sloot de deur omzichtig achter zich en keek me met grote ogen aan. Ze was naakt en rilde. Op haar rug en bovenarmen bleek ze opzichtig getatoeëerd met engelachtige figuren en vreemde tekens die vaag aan cijfers deden denken.
  
berkenroth02
   
    
‘Olga, wat is er hier allemaal aan de gang?’
‘Ssst, meneer, maak haar niet wakker’, fluisterde ze. Ze omklemde me stevig, drukte haar hoofd op mijn schouder en begon heftig te snikken.
‘Is alles in orde met moeder?’
‘Ja, meneer, maar ze is ziek, zo ziek, maar ook zo mooi! Weet u, we hebben het hier helemaal niet gemakkelijk gehad de laatste tijd…’
Ik deed mijn colbert uit en drapeerde deze over haar schouders.
‘Olga, ik wil haar zien…’
  
  

18-04-10

Backstage in Berkenroth III

   
   
         Twee dagen geleden had Olga me opgebeld en zover ik kon vermoeden, was er dus telefoon in huis, alleen wist ik niet waar. Boven waren er waarschijnlijk nog enkele kamers, maar daar was ik nooit geweest. Met enige tegenzin ging ik naar boven. De trap kraakte, het geluid klonk gek genoeg geruststellend. Op de overloop vond ik tastend een schakelaar en knipte het licht aan. Ook hier een schrale spaarlamp, één van de zegeningen die een verenigd Europa ons geschonken had. Een tot op de draad versleten loper leidde naar drie deuren.
  
       
De eerste deur gaf toegang tot een ruime slaapkamer in biedermeierstijl. De ramen stonden wijd open: het was er ijzig koud, maar het rook er tenminste fris, naar lavendel en boenwas. In het midden stond een ruim, hoog opgemaakt tweepersoonsbed, overtrokken met een opzichtige sprei die me vaag aan een kazuifel deed denken. Rechts ervan stonden twee imposante hangkasten met bespokte spiegels. Links van het bed een sierlijkere kaptafel, maar in dezelfde bombastische stijl. De spiegel hing vol met krantenknipsels en foto’s. Sommige ervan kon ik me herinneren van een vorige keer dat Frau K. ze voorzichtig uit een oude schoendoos had opgediept en mij met aarzelend commentaar had getoond. Boven het bed hing een buitensporig groot, ruwhouten kruis waarop een getormenteerd lichaam, ditmaal zonder lendendoek. Ik sloot het raam en verliet de kamer.
  
       
Toen ik de volgende deur opende, keek een paar witte duiven me argwanend aan. Onrustig koerend schuifelden ze op de rand van een immens ligbad. Ook hier stond het raam open. Voorzichtig naderde ik de beesten; uit ervaring wist ik dat ik ze niet te plots mocht opjagen, want dan zouden ze in paniek tegen de muren beginnen opvliegen en heel de kamer onderschijten. Toen ik langzaam dichterbij kwam, schoven ze pootje voor pootje van me weg. Op een bepaald moment waren ze amper een halve meter van het venster en stampvoette ik op de grond terwijl ik tezelfdertijd in de handen klapte. Met een sierlijk boog fladderden beide dieren door het open raam en verdwenen ze achter het rieten dak van de overliggende schuur. Ik keek hen na en bemerkte dat het gestopt was met regenen en dat, alhoewel het nog licht was, een volle maan zich aftekende tegen de hemel. Ook hier sloot ik de vensters en keek om. Het gietijzeren ligbad was inderdaad immens, minstens drie meter lang. De koperen kranen waren groen geoxideerd en het email was mat geworden. Een okerbruine aanslag wees er op dat het grondwater hier ijzerhoudend was. De lavabo was ook al buitenmaats, als een barok altaar, maar één waarop elke hygiëne zoek was. Het tablet erboven was bezaaid met een amalgaam van smoezelige potjes en tubes. Op de spiegel had iemand met lippenstift haastig ‘schmutziche Ratte’ geschreven. Inwendig moest ik wrang glimlachen toen ik bedacht dat ik in dit lege huis op het platteland tot nader order nog geen enkel spoor van ratten of ander ongedierte had opgemerkt. Nog niet.
  
  

15-04-10

Backstage in Berkenroth II

    
   
   
        In de late namiddag reed ik het erf op. Het lag er verlaten bij en bood een mistroostige aanblik. In het midden ervan hadden tractorsporen de aarde omgewoeld en door de aanhoudende regen van de laatste dagen was alles tot een modderpoel herleid. Ik parkeerde mijn wagen tot net voorbij de poort en besloot in een omtrekkende beweging naar het woonhuis te gaan. Daarbij kwam ik voorbij de staldeuren die open stonden: er was geen hond of enig ander levend wezen te bespeuren, het rook er enkel naar gistend hooi. Een onheilspellende stilte maakte dat ik mij behoedzaam begon te bewegen. Bij de voordeur klopte ik aan, maar niemand reageerde. Ik duwde tegen de deur die klemde, maar duidelijk niet op slot was. Met heel mijn lichaamsgewicht kon ik ze uiteindelijk voor meer dan de helft openen. Ik wurmde me door de opening en schuifelde de woonkamer in. Het voelde er beduidend kouder aan dan buiten en het rook er naar beschimmeld hout en vochtig roet.
 
berkenroth01
 

‘Is er iemand?’, riep ik met hese stem en ik voelde me wat belachelijk in de rol van een te voorzichtige detective. Het was duidelijk dat er in deze ruimte al enige dagen geen levend wezen had vertoefd. Alhoewel, in het midden van de tafel stonden er twee lege glazen en een overvolle asbak. Op het aanrecht waren wat vuile borden en een pan met daarin wat bestek gestapeld. In een ijdele poging drukte ik een lichtschakelaar in. Een spaarlamp boven tafel lichtte langzaam op en straalde een troosteloos licht uit. Gelukkig is er nog elektriciteit, dacht ik, dat is toch al iets.
‘Olga!’, riep ik nogal heftig en hoorde het plafond kraken, of misschien had ik mij dit enkel verbeeld. Ik ging langs het deurtje naast de open haard het portaal in en voelde mijn buik rommelen. Hier was het toilet, wist ik. De deur stond open, de pot was hoog gevuld met donkerbruin, brak water. Iemand had zich beziggehouden met krantenpapier ijverig in repels te scheuren en deze op een verroeste nagel te prikken. Ik spoelde door, het water werd er amper helderder door, maar het reservoir vulde zich tenminste. Nog een luxe die ik amper had vermoed. De spanning en de kilte werkte op mijn darmen, net zoals vroeger toen ik me verstopte in het bos. Ik deed de deur achter me op slot, nam een stuk krant en verwijderde de vlekken op de bril, liet mijn broek zakken en ging aarzelend zitten. Het legen van mijn lichaam en de geur van mijn eigen ontlasting maakten me iets rustiger.
 
   

13-04-10

Backstage in Berkenroth

  
  
Sade:
En als ik verdwijn
zou ik graag alle sporen
achter mij uitwissen

uit: 'De vervolging van en de moord op Jean Paul Marat opgevoerd door de verpleegden van het krankzinnigengesticht van Charenton onder regie van de heer De Sade' / Drama in twee bedrijven van Peter Weiss, 1964

        De telefoon rinkelde. Ik stond onder de douche en dacht dat men wel terug zou bellen of me op mijn gsm zou proberen te bereiken of een bericht achterlaten, maar blijkbaar had ik het antwoordapparaat niet opgezet en bleef de telefoon eindeloos rinkelen. Op zulke momenten word ik onrustig en beginnen me de meest nare berichten door het hoofd te spoken. Uiteindelijk nam ik een handdoek en droogde me haastig af. Met klamme handen nam ik de hoorn op, maar hoorde alleen geruis.
'Hallo.'
Geen antwoord.
'Met wie spreek ik?', probeerde ik aarzelend. Vaag hoorde ik nu iemand diep ademhalen aan de andere kant van de lijn. Een vrouw, vermoedde ik instinctief.
'Olga?', vroeg ik tenslotte, weifelend.
'Ja meneer, 't is Olga', klonk haar stem verontschuldigend. 'Ik moet van Frau zeggen dat je moet komen. Het gaat slecht met ons, vooral met haar en ze heeft u nodig.'
'Wat is er dan? Is er iets gebeurd?'
'Ze is ziek, heel ziek, en ze vraagt ganser dagen naar u.'
'Wat heeft ze dan?'
'Dat kan ik niet zeggen, maar u moet komen, zo snel mogelijk.'
'Kan ze zelf niet even aan de lijn komen?'
'Neen, ze...' Haar stem klonk ontgoocheld en leek weg te glijden.
'Olga! Ik heb het druk en kan me niet zomaar even vrij maken om naar Berkenroth te komen. Dat moet je toch begrijpen...'
'Dat begrijpen we', zei ze abrupt en haakte in.
Toen ik probeerde terug te bellen, was de lijn bezet.
 
        In de late namiddag reed ik het erf op. Het lag er verlaten bij en bood een mistroostige aanblik. In het midden ervan hadden tractorsporen de aarde omgewoeld en door de aanhoudende regen van de laatste dagen was alles tot een modderpoel herleidt. Ik parkeerde mijn wagen tot net voorbij de poort en besloot in een omtrekkende beweging naar het woonhuis te gaan...
   
  

04-04-10

Smetvrees III

  
  
        Voor zijn pleegvader waren negers net kleine kinderen die nooit zouden leren om met hard werk voor zichzelf te zorgen. Gedienstig en vriendelijk, dat waren ze wel, altijd bereid om met een meer dan brede glimlach en witte tanden hun meester te dienen, maar wanneer niemand hen in de gaten hield, zouden ze zich altijd en onherroepelijk overgeven aan de lokroep van een lui leventje. De hitte, dat was volgens hem hun eeuwige excuus en hij nam hen dat soort luiheid dan ook daarom helemaal niet kwalijk. Maar hij, hij zou altijd de voorkeur geven aan zwijgzame Limburgers of, beter nog, aan stugge Polen die voor drie maanden hun familie achterlaten en bereid zijn om, zonder al te veel vragen, de handen uit de mouwen te steken. Het middelgroot bouwbedrijf dat zijn pleegvader uit de grond had gestampt, had een meer dan behoorlijke reputatie; voor een scherpe prijs werd in vertrouwen degelijk werk geleverd. Dat wisten de klanten. Hij betaalde zijn personeel een eerlijk loon en heel wat extra's maar stelde ook onvoorwaardelijke eisen: een werkdag bestond uit minstens twaalf uren en drank, seks en andere buitensporigheden waren voor na het werk. ‘s Zondags mochten ze beschikken als ze ‘s maandags maar zonder de kater van wat dan ook paraat zouden staan. Iedereen vond de pleegvader een correcte man. Maar daarom was hij, volgens de jongen, ook wat kortzichtig.
  
        Toen de jongen zijn ingenieurstudies stopzette en koos voor de academie, had zijn pleegvader het daar moeilijk mee. Harde werkers twijfelen niet, was zijn devies. Met het trekken van een lijn, maak ik mijn handen tenminste niet vuil, zo dacht de jongen. Alhoewel hij daar de laatste tijd net meer en meer aan begon te twijfelen.
   
  
v obberghen
   © Vanessa Van Obberghen

 

01-04-10

Smetvrees II

 
  
        De linkerfoto is gefocust op een oudere, blanke man op een steiger. De foto toont de man in de verte; zijn gelaatstrekken zijn amper te onderscheiden, maar met zijn handen hoog in de zijde, straalt zijn houding een zeker ongeduld uit. Hij is gekleed in een verfomfaaid hemd en een veel te grote, korte broek. Hij staat er blootsvoets te wachten op iets. Op de achtergrond dobberen twee witte motorjachten en een klein motorbootje. De oceaan is rustig. De jachten zijn boven op het stuurhuis uitgerust met een extra platform voor de sportvisserij. Waarschijnlijk is de oude man de eigenaar van een club die de boten verhuurt aan rijke toeristen die in dit Afrikaans kustplaatsje komen inschepen om op barracuda’s te jagen.
 
        Op de rechterfoto staat een zwarte, jonge man op de voorgrond. Enkel zijn bovenlichaam is te zien en door het tegenlicht zijn ook zijn gelaatstrekken moeilijk te onderscheiden. De jongeman draagt een dienblad met daarop iets donker en onduidelijk; het zouden schelpen kunnen zijn of gedroogde vruchten. Ondanks het feit dat hij licht voorovergebogen loopt, verraadt zijn profiel een zekere trots, maar naar alle waarschijnlijkheid werkt hij in dienst van de blanke man van de linkerfoto. Op de achtergrond is vaag dezelfde steiger met de jachten te zien. In de rechterbenedenhoek van de foto is er nog een arm en een stuk lichaam van een andere zwarte dienaar.
 
        De combinatie van de twee foto’s meet in de breedte nog geen meter, maar vanuit het bad krijgt het geheel een lichtjes overweldigend perspectief. De jongen blijft zich steeds opnieuw verwonderen over de bevreemdende sfeer die het uitstraalt en de vragen die het oproept. Hij vraagt zich af of hij zich in een warm land aan de andere kant van de evenaar gelukkiger zou hebben gevoeld. Anderzijds is de jongen best tevreden te behoren tot dat deel van de wereldbevolking dat zich geen zorgen hoeft te maken om te overleven op een planeet die tenslotte maar voor één kwart uit aarde bestaat.
  
  

22:47 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: intermezzo, pulp, smetvrees

31-03-10

Smetvrees

 
 
        Meestal neemt hij om de twee dagen een douche. Zo nu en dan, wanneer er niemand in huis is, laat hij het bad vol lopen. Niet te vol, want om één of andere  onduidelijke reden heeft een, overigens meer dan bekwame loodgieter het niet nodig geacht om de overloop aan te sluiten. De eerste keer dat hij zich de luxe van een heet ligbad had willen laten welgevallen, was hij meer dan een uur bezig geweest om de badkamer te dweilen. Dat voorval had er voor gezorgd dat hij de keren daarna nog bedachtzamer te werk ging bij het nemen van een bad, dat hij meer en meer als een ritueel is gaan beschouwen.

        Vooreerst probeert hij zich op alle mogelijke manieren te ontlasten. Daarna, terwijl het water klaterend de kuip vult, scheert hij zich zorgvuldig. Regelmatig wordt het scheren onderbroken om de temperatuur en het waterpeil te controleren. Hij gebruikt geen badschuim want hij houdt van de transparantie van helder water, hij zet geen muziek op want hij houdt van de stilte in een leeg huis. Als alles klaar is, dompelt hij zich langzaam onder. Na een drietal minuten verrijst hij uit het water en zeept hij zich zorgvuldig in. Nadat beide oksels en de schaamstreek rijkelijk zijn ingezeept, laat hij zich terug onder water glijden. Pas dan kan het ritueel ten volle beginnen, dat er in feite uit bestaat dat hij het hete water onvoorwaardelijk laat inwerken op elke schilfer van zijn huid. Het maakt de buitenkant rimpelig en brengt al het inwendige tot rust. Wanneer het weekproces op zijn hoogtepunt is, begint hij voor zich uit te staren.

        Aan het voeteneinde van het bad, een meter boven de rand, hangt er een foto die hem altijd is blijven intrigeren. De foto bestaat uit een merkwaardige constructie van twee foto’s die in een hoek van vijftien graden mekaar deels overlappen. Het is een vroeg werk van een kunstenares die zich ooit zal doen opmerken door de Vlaamse Leeuw op djembé te laten uitvoeren. Sommigen omschrijven daarom dit werk als conceptueel, maar dat laat hem verder koud. Wat hem interesseert is wat de foto hem vertelt.
   
  

02:26 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: intermezzo, pulp, smetvrees

05-03-10

VII. De kamer (vervolg)

  
 
        
‘She likes weeds, they’re easy to grow.’
Uit ‘The Ipcress File’, Sidney J. Furie naar Len Deighton, 1965


  
        Het lichaam was van een meisje. Ze lag er levenloos bij, half verscholen onder het deken maar met ontbloot bovenlijf, de leden lijdzaam gespreid. Haar warrige, blonde lokken omkransten haar gezicht, haar ogen waren gesloten en ze had een bittere trek om de mond. Rond die mond was een bruine vlek in de matras gedrongen.
‘Is ze …?’
‘Stomdronken’, antwoordde Anthony snel.
‘Wie is het?’
‘Een nichtje van me uit Koningshof, zo één die me niet moet, maar wel altijd in is voor iets spannends, vooral als haar neefje haar daarbij cadeautjes toestopt.’
‘We hadden toch afgesproken geen meisjes in het huis toe te laten’, opperde de jongen hees.
‘Heb je dan nog altijd niet door dat de Ferket een jeannet is, en de Lamot een nog grotere’, antwoordde Anthony geïrriteerd terwijl hij zich kreunend op de matras, naast het meisje liet neerploffen en een hand ruw op een van haar strakke borstjes legde. ‘Als ze straks wakker wordt, met een barstende hoofdpijn van hier tot ginder, zal ze in alle talen zwijgen.’ ‘Wees maar gerust, ik ken ze’, voegde hij er smalend aan toe, terwijl hij de jongen plots ernstig in de ogen keek.
 
        ‘Kom’, zei hij zacht maar dwingend, ‘geef me je hand.’
De jongen voelde het bonzen in zijn keel, maar liet zijn klamme rechterhand door Anthony vastnemen en op de welving onder het broekje van het meisje leggen.
‘Voel maar, niets is wat het lijkt of wat je ervan had verwacht.’
De jongen voelde dat zijn hand een gewillige klauw werd, met vingers die onder de elastieken rand schoven en, volgens eeuwenoude, ongeschreven regels, een eigen leven begonnen te leiden. De jongen ademde diep en keek naar het gezicht van het meisje. Ze staarde hem met open ogen aan.
  
(wordt vervolgd, op aanvraag)
  
  
  

15:28 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: pulp, voorspel, de kamer

03-03-10

VI. De Kamer

   
 tee set
  
        Er was niet zoveel veranderd sinds de jongen de kamer voor de laatste maal had betreden, vooraleer ze definitief werd afgesloten voor diegenen die niet tot het groepje van de Ferket behoorden. In het midden stond er een keukentafeltje en twee stoelen van formica en gechromeerd ijzer. Op tafel lagen er wat losse sigaretten naast een overvolle asbak en stonden er twee mat uitgeslagen glazen en een fles jenever van hetzelfde merk als op de eerste verdieping. Doorheen de geur van zweet en vocht, herkende de jongen het zoete parfum. Aan de muur hing een poster van Tee Set. In een hoek lag er een smoezelige matras op de grond. Daar bovenop lagen een deken en enkele opgepropte kledingstukken.
De jongen rilde, toen hij het lichaam zag.
  
  

10:56 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: pulp, voorspel, de kamer, tee set

01-03-10

V. Anthony (vervolg)

 
 

        Anthony zuchtte en kwam moeizaam overeind: ‘Deze zetel ruikt ranzig, dààr stel ik mij vragen bij! Ik wil niet weten wat jullie hier allemaal in hebben uitgespookt!’ Naarstig zocht hij in de broekzak van zijn te strakke jeans naar iets en haalde er met moeite een sleutel uit. ‘Kom, neem een borrel, ik heb nog een cadeautje voor je.’
De jongen nam aarzelend de fles aan, maakte met een draaibeweging van zijn hand de hals schoon en nam een voorzichtige slok. Anthony had ondertussen twee sigaretten tegelijk opgestoken. Een ervan gaf hij aan de jongen, die deze gretig aannam, diep inhaleerde en moest hoesten tot de tranen hem in de ogen stonden. Het bleek geen mentholsigaret te zijn maar een Groene Michel.
'Blijven oefenen', grijnsde Anthony.
 
        Hij loodste de jongen ongeduldig naar de gesloten kamer op de overloop en zei: ‘De Ferket vermoordt me, moest hij weten wat ik nu aan het doen ben… Maar zoals ge weet is de Ferket een jeannet!’ Dat laatste zei hij grinnikend met een plagerige ondertoon, terwijl hij het slot opende en de deur uitnodigend open duwde. ‘Entrez…’, fluisterde hij en zijn oogjes glinsterden vanachter zijn dikke brillenglazen.
De jongen voelde zich ongemakkelijk. ‘Ik had nu kunnen tekenen of mijn huiswerk maken en daarna met een gerust geweten naar Keromar kunnen kijken’, dacht hij nog bij zichzelf.
 
 

12:45 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: pulp, voorspel, anthony

26-02-10

Raamvertelling II

  
 
raamvertelling2
 
                                      

09:58 Gepost in Foto's | Commentaren (0) | Tags: voorspel, raamvertelling, pulp

25-02-10

IV. Anthony

   
  
        Hij stond voor de gesloten deur op de overloop, drukte zijn neus tegen de kier en snoof. De vreemde, zoete geur die hij eerder had waargenomen, kwam duidelijk uit de kamer erachter.

        De jongen draaide zich om en zette zijn tocht verder. De deuren naar de bel-etage stonden open. Zoals hij reeds vermoedde, was Anthony in het huis; de geur van mentholsigaretten kon hij, doorheen die van droge duivenmest, al van ver op de gang ruiken. In het tegenlicht dat hem na de donkere traphal verblindde, zag hij de dikke, fatterige jongen uitgezakt hangen in een van de fauteuils, met naast zich een rokende sigaret in een verfblik en een jeneverfles op een omgekeerde wijnkist die als bijzettafeltje dienst deed. Toen zijn ogen aan het felle licht gewend waren, zag hij dat Anthony wat glazig door zijn dikke brilglazen voor zich uit staarde, naar de wandschildering. Zonder zich naar de jongen te richten, zei Anthony, met zijn hoog, amechtig stemmetje: ‘Ik begrijp niks van wat er allemaal op die muur staat. Voor mij zijn ‘t allemaal lullen en tetten… en ze maken me zenuwachtig … en bederven mijn eetlust.’ Daarop draaide hij zich traag naar de jongen en vroeg uitdagend: ‘Wat zoek je hier eigenlijk?’
‘Ik kwam wat verder tekenen’, zei de jongen en terwijl hij dit zei, ergerde hij zich aan de verontschuldigende toon van zijn eigen antwoord. ‘Wat doe jíj hier eigenlijk, in ónze kamer? Er was toch afgesproken dat de kamer hier beneden jullie plek zou zijn!’
‘O,o, rustig maar, ik ben hier alleen maar een paar pakjes sigaretten komen leggen’, zei hij afwerend en wees achteloos achter zich, naar het wandrek,  ‘… en deze fles, of wat er van zal overschieten, mogen jullie ook houden.’ Ondertussen zette hij de fles gretig aan zijn lippen en nam een fikse slok. ‘Vertel me eens, wat wil je nu eigenlijk met die tekeningen zeggen? Of wil je alleen maar vunzige verhaaltjes vertellen?’
De jongen schraapte zijn keel: ‘Ik weet het niet, ik teken maar wat, dingen die in mij opkomen… Ik stel me er geen vragen bij.’
 
 

12:03 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: pulp, voorspel, anthony

24-02-10

III. Het huis (vervolg)



        Op een dag was de jongen, die altijd graag en goed kon tekenen, begonnen aan een potloodschets op de grootste, vensterloze muur: ietwat bizarre, al dan niet realistische vormen vulden mekaar aan tot wat een reusachtige wandschildering zou moeten worden. Aanvankelijk wisten de andere jongens niet goed wat ze er van moesten denken, maar langs de andere kant vonden ze het wel leuk om deelgenoot te worden van iets dat dag na dag voor hun ogen groeide. Gaandeweg beschouwden ze het als een beeldverhaal dat de gezamenlijke momenten in het huis wat afleiding en gespreksstof kon bezorgen. Overigens hadden ze van thuis uit geleerd om altijd respect op te brengen voor datgene wat iemand met eigen handen had gecreëerd. Zelfs al kon je er amper je brood mee verdienen.
 
       
Na verloop van tijd werden de momenten dat alle jongens samen in het huis aanwezig waren schaarser. Ook de afspraken omtrent de geheimhouding werden overtreden zodat het haantje-de-voorste van de klas, de Ferket, hoogte kreeg van het bestaan van het huis. Op een woensdagnamiddag had deze er plots zijn opwachting gemaakt en hooghartig een deel van het huis opgeëist. Aanvankelijk leidde dit tot een onheimelijke spanning, die echter diplomatisch werd opgelost door de Lamot, die zijn rivaal in een theatraal gespeelde, welwillende bui een weinig interessante kamer op de overloop had gegund. Vreemd genoeg had de Ferket genoegen genomen met dit voorstel. Hij eiste weliswaar dat ook zijn vrienden toegang zouden krijgen tot het huis en dat zij hun territorium zouden mogen afsluiten. Schoorvoetend had iedereen met deze regeling ingestemd, maar vanaf toen was het huis voor de meesten van het eerste uur heel wat minder aantrekkelijk geworden. De bel-etage werd minder en minder gefrequenteerd; telkens moesten ze langs de gesloten kamer op de overloop, die hen er aan herinnerde dat het huis niet meer alleen van hen was. Alleen de jongen bleef halsstarrig en plichtsgetrouw verder werken aan de alsmaar groter wordende wandtekening.
 
       
Nu stond hij daar voor de gesloten deur op de overloop, drukte zijn neus tegen de kier en snoof. De vreemde, zoete geur die hij eerder had waargenomen, kwam duidelijk uit de kamer erachter.
 
 

13:07 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: pulp, voorspel, het huis

22-02-10

De geuren #2

  
  
de geuren