12-09-12

Smetvrees

   
   
Iedereen heeft recht op een verhaal, sommigen dromen er zelfs beelden bij. Toen hij nog een jongen was, voelde hij in zijn jeugdige onbezonnenheid de behoefte om zelf beelden te creëren, als uit het niets. Nu volstaat een foto, waarvan een zelfingenomen psycholoog zou kunnen beweren dat het een soort spiegel is. De amper herkenbare man in de verte zou dan staan voor de onbereikbare, dus onaantastbare vader, de neger op de voorgrond voor hemzelf, de plichtsgetrouwe dienaar die hij zich altijd heeft gevoeld. Ach, kunstenaars vertrouwt hij voor geen cent, voor therapeuten is hij als de dood.  (p. 64)
   
    

00:11 Gepost in Proza, Teksten | Commentaren (0) | Tags: hondsster, smetvrees, markt, strijd

11-09-12

Nozem

  
  
Het helpt wanneer je in maatpak een ‘kutrecensie’ of iets dat daar naar ruikt, openbaar in de fik steekt: gisteren op Radio1, Klara en in Knack, vandaag gegarandeerd in De Standaard en De Morgen.

Aandoenlijk was het, hoe de verongelijkte uitgever na deze moedige daad, in de luwte van de straat en ver van 'boze geesten' (ik was er niet geheel toevallig getuige van), zichzelf als de eerste de beste kwajongen op de borst sloeg.
   
Hoe wanhopig op zoek naar aandacht kan je als uitgever in deze crisistijden zijn? schreef Frank Hellemans. Voor je het weet is zo’n ‘statement’ niet meer dan een uiting van hypocrisie, reageerde de geviseerde recensent.

 
‘Alleen wie op straat werd opgevoed, heeft geleerd een trefzekere rochel als een duidelijk merkteken te plaatsen,’ schreef ik in Hondsster (p. 104). Al moet ik bekennen dat ik nooit een nozem, noch dat soort verwend jongetje ben geweest.
  
  

06-09-12

De wereld van markt en strijd

  
  
Negen maanden geleden verscheen ‘Hondsster’ met een aarzelend tot euforisch enthousiasme, eigen aan elke geboorte. Opvallende verkoopcijfers (volgens mijn uitgever) en meer dan positieve reacties van de eerste lezers ten spijt, is mijn debuut totaal ongemerkt gepasseerd in de kronieken van de Vlaamsche pers. Soms lijkt het alsof ‘men’ heeft besloten mijn eerste worp simpelweg dood te zwijgen: geen aankondiging,  geen voetnoot, zelfs geen smalende recensie… Het zij zo; waarschijnlijk ontbreekt het mij (én een te bescheiden uitgeverij) aan voldoende credebility om zich aan te verkneukelen, laat staan om er een woord aan vuil te maken.
 
Opvallend is wel dat andere debutanten, nog voor er één roman van hen in de boekhandel ligt, uitvoerig worden geroemd (het geval Marnix Peeters: binnen de drie dagen genomineerd voor een niet onbelangrijke debuutprijs) of verguisd en afgeschreven (de ‘puberale’ Maarten Inghels), maar in ieder geval kunnen rekenen op de welwillendheid van minstens drie recensenten.

Uiteraard gun ik hen deze aandacht, maar heeft Herman Brusselmans dan toch gelijk wanneer hij (een oude vos die men geen kunstjes meer moet leren) Peeters de raad gaf om vooral de media te bespelen, als de enige manier om een boek in de markt te zetten?
Natuurlijk. Vertel hen ‘dat je minstens vijf mokkels per week achterwaarts in de poes naait’, ‘de doorsnee Jan Lul achter zijn teevee’ zal jouw boek met rode oortjes willen lezen, een zich onfeilbaar voelende recensent zal zich geroepen voelen om jou eloquent te dienen, al was het maar om zijn eigen literaire koudwatervrees te overwinnen.
 
Let wel: ik hou van smerige sprookjes; ik schreef er namelijk zelf één. Waarom ik dan niet mag rekenen op enige tekst en uitleg van Dirk, Mark, Geert en kompanen, dat blijft een raadsel. Het zal wel iets te maken hebben met marketing, een teveel aan ijdelheid of een gebrek aan geloofwaardigheid (schrappen wat niet past).
 
Vooraleer u mijn verzuchtingen gaat afdoen als rancuneus gejammer, nog dit: wat de boer niet kent, dat vreet hij niet, maar misschien zijn er ondertussen te veel boeren die steeds opnieuw hetzelfde willen prijzen. Waar is de boer die het onbekende niet schuwt, die eigengereid zijn eigen keuze durft te maken?
 
Deze boer ploegt voort, in weerwil van de seizoenen. Zelfs al is het weer een maat voor niets. Ook dat behoort tot defolklore.
  
  

 

11-07-12

Schouwtoneel

 

Hieronder de proloog van mijn volgende roman 'Folklore' die, als alles volgens plan verloopt, in het voorjaar 2013 verschijnt bij Houtekiet.

 

         Er hing belang in de lucht. Om alles vlekkeloos te laten verlopen werd een gespecialiseerd bedrijf ingeschakeld. Vier weken terug had het aan meer dan honderd uitverkorenen een karig opgestelde uitnodiging verzonden. Op handgeschept papier was op de voorzijde enkel het nummer 7 gedrukt, op de achterzijde de dag en het uur, de locatie, het telefoonnummer en de toegestane periode om te antwoorden, naast vier bondige maar niet mis te verstane richtlijnen. Het feest zou stipt om acht uur ‘s avonds aanvangen, minderjarigen zouden niet worden toegelaten, de dresscode was ‘zwart’ en na afloop zou iedereen, ongeacht de afstand, met een taxi naar huis worden gebracht. Blijkbaar werd de minimale, bijna strenge aanpak van de invitatie geapprecieerd; meer dan vijfennegentig procent van de genodigden bevestigde zijn komst binnen de toegestane termijn. De overige vijf procent werd onherroepelijk, sans rancune, van de lijst geschrapt. De catering zou worden verzorgd door een gerenommeerde traiteur die zijn sporen had verdiend met onorthodoxe maar exquise bereidingen van orgaanvlees, de drank zou worden beperkt tot licht sprankelend water, een jonge, koel geschonken, rode Chileense Merlot en een artisanale, overigens illegaal gestookte, calvados. Een wereldvermaard achtkoppig koor zou de avond opluisteren met polyfone muziek. Een escortbedrijf dat zijn werknemers rekruteerde uit studenten in iets artistiekerigs, zou instaan voor de bediening en indien nodig voor enige emotionele opvang. De bedoeling was dat iedereen zich licht opgewonden zou kunnen voelen of zich op zijn minst zou kunnen beroepen op een helpende hand om zich staande te houden, in het ergste geval een schouder om op uit te huilen of een lijf om zich aan te vergrijpen. Als locatie was gekozen voor de hangars van een decoratelier dat in de loop van zijn kort maar roemrucht bestaan de meest bizarre rekwisieten had verzameld. Aanvankelijk bleek dat de plek, vooral bij valavond, iets onheilspellends had en rook naar beschimmeld hout en textiel. Met behulp van guirlandes werd de plek omgetoverd tot een feeërieke kermistent, met honderden wierookstokjes zou de muffe geur worden geneutraliseerd. Alles moest beantwoorden aan wat de verwende lezers van een exclusief lifestylemagazine zouden kunnen verwachten, behalve dan dat ene dat zich om exact negen uur zou prijsgeven en dat zíjn aanwezigheid verantwoordde. Eerder dan als getuige, voelde hij zich als medeplichtige, alhoewel hij, die tot dan geleefd had als in een droom, zich begon te ergeren aan de herinneringen.
  
          Het feest verliep het eerste uur zoals volgens het draaiboek te voorzien en te verwachten was. Even was er enige commotie toen een koppel zich een minuut te laat aan de receptie aanbood en door de security resoluut de toegang werd ontzegd, waarna het stel zich met veel misbaar, verontwaardigd en scheldend uit de voeten maakte. De aanwezigen genoten zichtbaar van dit fait-divers, blij dat zij er wél op tijd bij zouden zijn, alhoewel niemand van hen scheen te weten wat hen hier samenbracht. Hij hoorde sommigen vragen stellen die werden gesmoord met liters drank en eindeloos aangevoerde amuse-gueules. Alles kirde van genot en bleef met bulderend gelach of roodgestifte mond het antwoord schuldig. Die lippen waren, net zoals de dassen van de mannen, de enige listen waarmee de aanwezigen zich tegen het alomtegenwoordige zwart hadden durven verzetten. Voor hem waren het, benevens hun geuren, niet te onderschatten referentiepunten.
Niemand schonk aandacht aan zijn aanwezigheid; waarschijnlijk rekenden zij hem, zoals ze letterlijk op hem neerkeken, tot de entourage van het veiligheidspersoneel. Zijn stuurse, tegelijk schichtige blik kon dit voor hen enkel bevestigen. Stilaan werd hem het amalgaam van hun parfums en de rook van sandelhout ondraaglijk. Enkel de geuren van hun zweet en de schimmels, de gebakken zwezeriken, nieren en levers konden hem bekoren, brachten hem het water in de mond, alhoewel hem was geleerd om niet te kwijlen.
  
          Toen het koor, even voor negenen, zonder orgelpunt maar zorgvuldig georkestreerd, ophield met zingen, was de stilte op wat gekuch en gefluister na, bijna tastbaar. In dit vacuüm kon hij eindelijk vrij ademen en werd haar geur onvermijdelijk. Hij kon zich nog net inhouden om niet te beginnen huilen, als om een verloren gewaand stukje onschuld. De gastvrouw verscheen zoals hij zich haar nog steeds kon herinneren, bescheiden maar bewust van haar afkomst. Onder de genodigden werd er goedkeurend gemompeld, maar toen de gastheer in haar kielzog met zijn zware lijf binnen kwam gewaggeld, was er ook gegniffel hoorbaar. Voor hem was dit het teken om zich langs de benen van de menigte heen een weg naar voren te banen. Sommige genodigden reageerden ontstemd en probeerden hem de weg te versperren, wat hen op hun beurt volgens de strikte richtlijnen van de organisatie werd verhinderd door de jobstudenten van het escortbedrijf.
Ook zij moest hem al een tijdlang hebben geroken; toen hij haar op enkele meters genaderd was, keek ze hem vertrouwensvol, vol van verwachting, met een steelse blik over haar schouders aan. Ze liet hem toe om haar uitvoerig te besnuffelen. In de marge begon de gastheer klagelijk te janken, maar durfde hij het tweetal niet te naderen. Het publiek was duidelijk verdeeld; er waren er die zich verlustigden op wat onvermijdelijk komen zou en die hem aanmoedigden, anderen jouwden verontwaardigd. De spanning steeg ten top toen hij haar vastgreep en zij zich met haar lijf nestelde onder zijn gewicht.
Plots voelde hij zich hardhandig bij het nekvel gegrepen. Hij probeerde van zich af te bijten, maar hield zich in toen hij merkte dat de hand die hem in toom probeerde te houden die van zijn meester was. De emmer ijskoud water die iemand over hem uitstortte benam hem de laatste drift. Jammerend van onmacht trok hij zich terug terwijl hij werd beschimpt en geschopt. Nog eenmaal probeerde hij een glimp van haar op te vangen: ze keek hem meewarig aan, zoals enkel teven met een stamboom dat kunnen, terwijl de gastheer onhandig de ouverture die zijn rivaal had ingezet probeerde af te maken. Zoals in het draaiboek voorzien, werd hij nog enkele malen door overijverige leden van de security in zijn ballen geraakt en met emmers water overgoten, vooraleer hij zich rillend van de kou en ontgoocheling uit de voeten maakte. Het laatste wat hij in een ooghoek tijdens zijn vlucht nog kon ontwaren, waren de twee lijven die zich in een kluwen verenigden onder luid applaus. Een volgende maal, zo nam hij zich bitter voor, zou hij zich als schouwreu niet aan de afspraak houden, zou hij zijn natuur volgen en de meesters de strot overbijten met de doortastendheid eigen aan zijn ras. Want het is een goed gif: de wraak die sluipt en geurt naar zweet en schimmel, samen met een instinct dat onbehouwen de hemel prijst. Onderhuids verdelen beiden de wereld, zonder de last van een geheugen, in daders en zwijgers, in vaders en vrijers, koppig en genadeloos, zoals elke trage en obscene leugen.
   
   
   

 

14:38 Gepost in Proza, Teksten | Commentaren (0) | Tags: schouwtoneel, folklore, klauw

21-06-11

Hondsster / Houtekiet

   
   
(perstekst)

Hondsster is het verhaal van de wankele relatie tussen een moeder en haar zoon in de tweede helft van de vorige eeuw. In die periode verandert niet alleen de verhouding tussen beiden, maar beweegt er ook maatschappelijk het een en het ander. De grenzen van de artistieke vrijheid en van de ouderlijke verantwoordelijkheid worden afgetast en in West-Europa wordt het aktionisme tot kunststroming uitgeroepen. Tegen de achtergrond van deze maatschappij waarin de morele waarden voortdurend verschuiven, vult de auteur behoedzaam het turbulente verleden van zijn personages in. Initialen worden namen en gebeurtenissen worden data, schimmen krijgen een gezicht.
  
Hondsster is een spannend boek, dat baadt in een broeierige sfeer, over het zoeken naar en het vinden van beelden tussen afschuw en verrukking, over de overmoed om sporen na te laten of uit te wissen, over nestgeuren die blijven hangen en het imponeergedrag waarmee elk roedeldier zijn gezag en territorium tracht te handhaven
  
Guy Dierckx (1958) volgde een grafische opleiding en richtte galerie Blanco en de tentoonstellingsruimte 9915 op. Schrijft poëzie sinds 1999, publiceerde in o.a. De Brakke Hond, De Contrabas, Deus Ex Machina, Dighter en Meander. Hondsster is zijn romandebuut.
  
paperback 220 blz 14 x 22 cm € 18.50
omslag Marij Hereijgers
foto omslag Guy Dierckx 
isbn 978 90 8924 196 2 
rubriek literatuur nur 301 
verschijnt in november 2011
bij Uitgeverij Houtekiet

  
    

22:29 Gepost in Proza, Teksten | Commentaren (4) | Tags: hondsster, houtekiet, perstekst

20-06-11

10 fragmenten uit 'Hondsster'


 

1.

‘Laat maar,’ stamelde ze, ‘het doet goed om nog eens de onstuimigheid te voelen die me herinnert aan de wellust van weleer. Geef me een kus en ga slapen. Morgen gaat het terug beter met me. Vroeger was het net hetzelfde.’
Ze keek op, de oogschaduw en mascara waren uitgelopen, wat haar op een vreemde manier jonger deed lijken. Ik nam haar hoofd in beide handen en gaf haar een kus op het voorhoofd, net zoals ik Olga daarnet had zien doen. ‘Slaapwel,’ zei ik.
‘Heb je me niets méér te zeggen?’ vroeg ze.
‘Nog niet, later misschien.’
Buiten was het ondertussen koel en klam geworden. Het erf lag er verlaten bij. Onwillekeurig keek ik naar boven; ik had verwacht een schitterende sterrenhemel te zien, maar ik kon slechts vaag enkele doffe sterren onderscheiden; zowel op aarde als in de hemel was er geen hond te bespeuren.

 

2.

Iedereen heeft recht op een verhaal, sommigen dromen er zelfs beelden bij. Toen hij nog een jongen was, voelde hij in zijn jeugdige onbezonnenheid de behoefte om zelf beelden te creëren, als uit het niets. Nu volstaat een foto, waarvan een zelfingenomen psycholoog zou kunnen beweren dat het een soort spiegel is. De amper herkenbare man in de verte zou kunnen staan voor de onbereikbare, dus onaantastbare vader, de neger voor hemzelf, de plichtsgetrouwe dienaar die hij zich altijd had gevoeld. Ach, kunstenaars vertrouwt hij voor geen cent, voor therapeuten is hij als de dood.

 

3.

Het duurde niet lang of Olga’s ademhaling werd zwaar. Uit nieuwsgierigheid raakte ik voorzichtig één van de tatoeages aan. Ik had gedacht dat de huid er hard en weerbarstig zou hebben aangevoeld, maar het tegendeel was waar: fluweelzacht, zonder enig littekenweefsel. Choukri kende blijkbaar zijn vak. Toen ik het cijfer 373 op haar schouder streelde, ging er een siddering door Olga’s lijf. Ik spreidde het laken over haar, nam de fles waarin zich nog een bodem bevond en vleide me naast haar neer. Uit ervaring wist ik dat dit bed ruim genoeg kon zijn.

 

4.

Vanaf dat ogenblik werd Hanel met rust gelaten maar geen van haar medeleerlingen dacht er nog aan om enige toenadering tot haar te zoeken. Voor haar was dit geen enkel probleem; ze ergerde zich toch maar aan hun aanwezigheid en hun flauwe praatjes. Hun vriendjes die hen na schooltijd op de hoek van de straat opwachtten interesseerden haar meer; ze kon hen bijvoorbeeld sigaretten afluizen die ze met een schijnbaar gemak inhaleerde of hen een tong draaien alsof ze haar hele leven niets anders had gedaan. Maar na verloop van tijd begonnen ook hun pokdalige tronies en ruwe handen haar snel te vervelen. Uiteindelijk verlangde ze alleen nog maar naar haar eigen kamer, naar het nest met verfrommelde lakens waarin ze haar gretigheid kon laten ontsporen en eigenhandig temmen terwijl ze een zo goed als anonieme blik dit alles goedkeurend liet gadeslaan.
Ik wil niemand pijn doen, dacht ze nog, net op het moment dat haar grootvader ziedend de kamer binnenstormde, haar van het bed sleurde en haar gebood zich aan te kleden.

 

5.

‘Had men mij op mijn achttiende niets verteld en had men mij toen niet met jou in contact gebracht, dan had ik mij waarschijnlijk gewoon een gewone zoon en broer kunnen blijven voelen.’
‘Gewoon?’
‘Ja, gewoon, sommige mensen verkiezen dat, om gewoon door het leven te gaan.’ Terwijl ik dit zei, stelde ik mijn eigen antwoord in vraag, vroeg ik mezelf af of ik wel zo’n gewoon iemand was en had willen zijn.
‘De vraag is of dat een kwestie van keuze is.’
‘Wat zou het anders zijn?’
‘Een kwestie van voorbeschikking.’ Frau K.’s antwoord klonk bijna als een vraag.
‘Ik vrees dat je dan jezelf te hoog inschat.’

 

6.

‘Dus je schaamt jezelf voor mij!?’
‘Ik erger mij. Omdat je er steeds opnieuw in slaagt om nét die dingen te doen die je omgeving in verlegenheid brengen of zullen brengen. En wat me daarbij nog het meest ergert is de vanzelfsprekendheid die je daarbij hanteert. In een normale verhouding is het de zoon die de leugens verzint om zijn moeder gerust te stellen.’
‘Ik heb nooit tegen je gelogen.’
‘Neen, maar je hebt je verborgen achter elk excuus om niet de gewone moeder te zijn die ik misschien wel had verdiend. De enige herinneringen die je me nalaat zijn zo misplaatst, dat ik ze zelfs niet kan bannen; in elk naslagwerk, in elke encyclopedie staat er wel een foto of een voetnoot die me confronteert met die obsessie van jou: jouw lichaam, als een tegelijk verrukkelijk als afschuwelijk instrument.’
‘Met dat lichaam heb ik iets willen vertellen,’ klonk het zwak.

 

7.

Er was die nacht weinig verkeer en de hemel was helder. Ik was er alleen met de sterren. Sirius, ook wel de hondsster genoemd, was nog steeds de helderste ster. Voorlopig althans want, naar men zegt, zal hij zich door zijn eigenbeweging steeds meer van ons verwijderen en almaar zwakker lijken. Zijn rol als helderste ster zal over vijf miljoen jaar door Albireo, een dubbelster in de bek van het sterrenbeeld De Zwaan, overgenomen worden. Zoals alles is ook wat oneindig ver schijnt tijdelijk.

 

8.

Frans liet de twee dvd’s met duidelijke weerzin in de doos vallen. Ik hoorde een plastic hoesje barsten. Hij keek me onderzoekend aan: ‘Als ik je een goede raad mag geven, zorg dan dat je dit materiaal zo snel mogelijk kwijt bent.’
‘Maar ik heb het net geërfd.’
‘Dan zou ik zo snel mogelijk die familie de rug toekeren en me laten onterven…’
‘Maar het is belangrijk archiefmateriaal, over de avant-garde in de jaren zestig, over een belangrijke strekking in de moderne westerse kunst.’
‘Dan zegt mijn gezond boerenverstand dat het hoog tijd wordt om te emigreren naar een ver, streng islamitisch land.’

 

9.

Ach ja, de obligate performance, een naïef stukje theater waarmee de kunstenaar zichzelf de rol van mythologische held zou toebedelen en zijn, met eigen lichaamssappen doordrenkte schilderijtjes een mysterieuze, maar vooral commerciële meerwaarde kon geven. Ik opende het raam en keek naar beneden: de zak restafval stond er nog, met een inhoud die elk mysterie overtrof.

 

10.

Eén van de honden die stond te blaffen aan de container en er af en toe tegen opsprong, ergerde Marcel al een hele tijd. Tot hij zich plots realiseerde dat de hond misschien wat had geroken dat zijn gejaagdheid verklaarde: bloed, vlees, iets dat leefde of net niet… Marcel stormde op de container af, schopte naar de hond die zich jankend uit de voeten maakte en schoof het deksel omhoog. De stank die er uit opsteeg deed hem naar adem snakken, maar buiten een lading lege mosselschelpen was de container zo goed als leeg. Vanaf dat moment had de onrust Marcel te pakken; de hele voormiddag liep hij nerveus om zich heen kijkend door de wijk. Vooral de directe omgeving van het dok trok zijn aandacht. Achter elke lichter die was aangemeerd, keek hij over de kade, of er tussen twee schepen, tussen het zwerfvuil dat er onherroepelijk bleef drijven, zich geen drama zou prijsgeven.
    

  
    

03-10-10

Klauw

   
  

KLAUW.jpg
naar de foto van Lebeck

Misschien is dit wel het oogpunt voor een volgend boek: de klauw, een punt op de einder dat al wat vlucht in lijnen en punten in der minne bepaalt en eigenzinnig een nietsvermoedend universum zal kneden en schaven.
Na de nestgeuren van het roedel rest de schrijver het klauwen naar wat aarzelend en onwennig achterblijft, zichzelf bewust van al wat laf is en van wat schoner had kunnen zijn.
 

   
  

01:57 Gepost in Algemeen, Foto's, Teksten | Commentaren (2) | Tags: klauw, oogpunt, laf, schoner

05-08-10

Fragmenten

   
        Ik ging het portaal in en voelde mijn buik rommelen. Hier was het toilet, wist ik. De deur stond open en het rook er naar zure aarde. De pot, zo één met de afloop aan de voorkant, wat me altijd wat onzeker achterom deed kijken, was gevuld met donkerbruin, brak water  Iemand had zich beziggehouden met krantenpapier ijverig in repels te scheuren en deze op een verroeste nagel te prikken. Ik spoelde door, het water werd er amper helderder door, maar het reservoir vulde zich tenminste, een luxe die ik amper had vermoed. De spanning en de kilte werkte op mijn darmen, net zoals vroeger toen ik me verstopte in het bos. Ik deed de deur achter me op slot, nam een stuk krant en verwijderde de vlekken op de wc-bril, liet mijn broek zakken en ging aarzelend zitten. Het legen van mijn lichaam en de geur van mijn ontlasting maakten me iets rustiger.
        (Roedel, P.54)
  


     

  
  
  

11:01 Gepost in Algemeen, Teksten | Commentaren (1) | Tags: roedel, zizek, toilet

01-08-10

Welpen(h)orde X

  
  
        Uitgeput stond hij op. Eigenlijk wilde hij terugkeren en zich opsluiten in zijn vertrouwde kamer, bij zijn boeken, de drank en andere parafernalia, maar gedreven door een zekere nieuwsgierigheid begon hij de trap te bestijgen, naar de eerste verdieping.
Het eerste wat hem opviel toen hij de bel-etage betrad, was het gewild huiselijke, zelfs burgerlijke van de inrichting: een versleten Perzisch tapijt, een oud salon, een geïmproviseerd salontafeltje, een wandrek met een radio en wat gezelschapsspelletjes, een poster aan de muur van een heldhaftige popgroep,… De directeur vond dat het tafereel bijna iets aandoenlijks had, iets van de ordinaire jongenskamer die hij zich zelf nooit had kunnen permitteren. Op de grote, vensterloze muur stond een ruwe potloodschets. Het bleek de aanzet van een soort beeldverhaal. Vaag kon hij de contouren onderscheiden van vreemde, monsterachtige en uitgerokken wezens in een ruimtelijke constructie die uitliep in een desolate vlakte. De wezens staarden begerig naar een monumentaal kruis in hun midden, waarop een verwrongen, halfnaakt vrouwenlichaam met resten slachtafval was bedekt. De vrouw keek hem met haar donkere ogen aan, uitdagend maar onrustig, als een gekooid dier. De directeur verbleekte.
  
        De conciërge schrok slaapdronken op vanachter zijn bureau dat als loket dienst deed, toen zijn baas laat op woensdagmiddag hijgend binnenviel.
‘Ik heb witte verf nodig!’
De conciërge aarzelde: ‘Wat voor verf, meneer de directeur? Ik heb in de kelder nog een pot latexverf over die ik gebruik om de gang af en toe wat bij te schilderen, maar die is beige.’
‘Dat is goed, haal die maar!’ antwoordde de directeur ongeduldig, ‘en een verfrol of een dikke borstel!’
De oude rijkswachter stond kreunend op, zijn oude botten protesteerden maar hij had geleerd niet te veel vragen te stellen. Na een vijftal minuten was hij terug met een gedeukte ijzeren pot en een afgeleefde borstel. Hijgend stelde hij voor: ‘Als u wilt, dan zorg ik wel voor de retouches. Is er iets gemorst op uw kamer?’
‘Laat maar, ik doe het wel zelf,’ klonk het ongeduldig.
‘Maar u zal uw mooie kostuum vuil maken!’
‘Ik weet wat ik doe, zo onhandig ben ik nu ook niet.’ Hij griste het materiaal uit de handen van de conciërge, die hem verbouwereerd nakeek.
‘De commissaris heeft nog voor u gebeld,’ riep hij hem na, maar de directeur had de zware schoolpoort al achter zich dichtgetrokken.
  
  

16:53 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: welpen, horde, orde, roedel

30-07-10

Welpen(h)orde IX

  
  
        Als een argument een maat voor niets blijkt, als elk medeleven verkeerd wordt opgevat, dan rest ieder zinnig mens een nederig stilzwijgen. De directeur liet zich met een zucht op de smoezelige matras neervallen. Het meisje nam de gelegenheid te baat om zich uit de voeten te maken. Nog eenmaal keerde zij zich om en keek hem met haar betraande ogen onverholen aan: ‘Wacht maar, ik zal mijn ouders alles vertellen, dat je mij de kleren van mijn lijf hebt getrokken en dat je hebt geprobeerd om mij te verkrachten!’
‘Waarom zeg je zulke dingen?’
‘Daarom,’ zei ze en greep zichzelf in 'r kruis. Ze probeerde hem tegelijkertijd in het gezicht te spuwen, maar meer dan wat vlokjes spuug leverde dit niet op. Alleen diegenen die op straat werden opgevoed, hebben geleerd een trefzekere rochel als een duidelijk merkteken te plaatsen.
   
        De priester bleef een tijdlang voor zich uit staren. Wat zou hij doen, dacht hij, als dit wezen een kind van hem was, iemand die hem op elk onbewaakt moment met haar fantastische verhalen kon overvallen? Zou hij zich kunnen verplaatsen in haar wereld, zou hij haar geloven of haar op haar plaats zetten? Zou hij haar kunnen ontgoochelen door haar terecht te wijzen en haar op andere ideeën kunnen brengen? Zou hij na jaren haar verwend lijf, dat hijzelf steeds opnieuw zou hebben gevoed, kunnen blijven verdragen? Of zou hij haar uiteindelijk kwetsen of, tegen beter weten in, haar blijven troosten, zonder dat zij argwaan zou krijgen en hij zich ongemakkelijk moest voelen? Misschien was het feit dat hij zelf geen een echte jeugd had beleefd, wel de oorzaak dat hij de jeugd nooit zou kunnen begrijpen, haar enkel in goede banen kon proberen te leiden of haar corrigeren.
De vier jaren dat hij voor de klas had gestaan waren in dat opzicht een hel geweest; steeds opnieuw was hij geconfronteerd geworden met zijn eigen onmacht om zijn leerlingen iets bij te brengen of hen te motiveren om eigenzinnige keuzes te maken in de onuitputtelijke leerstof waarmee hij hen overstelpte. Hij kon dan wel een expert zijn in Franse literatuur, de leerlingen die zich er ostentatief van afkeerden in zijn lessen had hij amper, ondanks hun botte domheid, ongelijk kunnen geven. Toen het bisdom op zoek was naar een nieuwe directeur en daarbij een duidelijke voorkeur naar voren schoof voor een geestelijke, had hij zich ogenblikkelijk kandidaat gesteld. Een school leiden kon hij tenminste met een zekere afstandelijkheid, vanuit zijn ivoren toren. Dat laatste werd in progressieve onderwijsmiddens steeds minder geapprecieerd, dat wist hij maar al te goed, maar misschien was het de enige manier om als instituut te overleven, zonder dat één van de betrokken partijen aan gezichtsverlies dreigde ten onder te gaan. Een diplomatische benadering, daar voelde hij zich goed in, voor even nog.
  
  

23:43 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: welpen, horde, orde, roedel

26-07-10

Welpen(h)orde VIII

  
  
        ‘Kleed je aan,’ was het enige dat hij kon bedenken. Het meisje graaide wat kledingstukken bij mekaar. Langzaam, tergend langzaam, begon zij zich aan te kleden en bleef hem daarbij angstvallig in het oog houden: eerst het slipje, daarna trok zij een gebloemd jurkje over het hoofd, haar voeten stak ze in open muiltjes. Ze droeg gelukkig geen kousen, bedacht hij nog.
‘Wie ben je?’ vroeg hij hees.
‘Dat gaat je geen reet aan,’ antwoordde ze uitdagend.
‘Dat besef ik,’ antwoordde hij bedeesd, ‘ik wil alleen maar weten of alles goed met je gaat.’
‘Ik sta mijn mannetje wel, als je dat bedoelt.’
‘Ben je een leerlinge van het Maria Immaculata Instituut?’
‘Gelukkig maar, stel je voor dat ik elke dag opnieuw met jouw leerlingen de schoolbanken zou moeten delen.’
‘Wat is er mis met mijn jongens?’
‘Ze stinken uit hun bek, ze zijn stom en doen onnozel.’
‘Ze zijn zoekende, op zoek naar iets wat ze misschien nooit zullen ontdekken, maar ze bedoelen het niet slecht.’
‘En ik? Ben ik dan slecht?’ Haar stem klonk schril.
‘Dat heb ik niet gezegd. Kom…,’ hij naderde het meisje behoedzaam, wilde haar vaderlijk in de armen nemen en haar bezwete voorhoofd deppen of haar haren fatsoeneren en haar kleedje gladstrijken. Eigenlijk wilde hij haar enkel geruststellen, zoals hij ooit zijn moeder had moeten temperen en zijn eigen gemoed tot rust had willen brengen. Voorzichtig nam hij haar bij de arm. Toen zij zich bewust werd van zijn aanraking, leek ze te verstijven, keek ze hem met haar kleine ogen verwijtend aan en siste: ‘Laat me met rust! Wat denk je wel, gore vieze, oude man, dat ik één van die gewillige prooien ben die zich in de biechtstoel laat betasten!’
‘Ik wil je alleen maar beschermen,’ antwoordde hij ontdaan.
‘Tegen wat dan?’
‘Tegen het boze.’ Terwijl hij dit zei, besefte hij hoe onwerelds dit stilaan moest klinken.
Ze keek hem eerst ongelovig aan en begon toen uitzinnig te lachen. De directeur haalde hard uit, sloeg haar met zijn vlakke hand in het gezicht.
  
  

14:11 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: welpen, horde, orde roedel

15-07-10

Welpen(h)orde VII

  
  
       
Het kwam er op neer dat de school, of hijzelf althans, initiatief zou moeten nemen, diplomatisch en pedagogisch verantwoord en met inachtneming van alle plaatselijke gevoeligheden. De tuchtprefect op pad sturen zou enkel scheldtirades en nodeloos gebulder met zich meebrengen en was voorlopig geen alternatief. Even dacht de directeur eraan om mevrouw Brijs in te schakelen; een zachte, zalvende hand kon soms wonderen verrichten, maar langs de andere kant zou het probleem, gezien de masculiene reputatie van de school, toch op een eerder vaderlijke wijze moeten kunnen worden opgelost. Ten langen leste besloot hij om in hoogsteigen persoon een bezoek te brengen aan het bewuste pand.
  
        Met zijn grijze pak hoopte hij niet al te veel in het oog te lopen. De donkere bril had hij achterwege gelaten, kwestie om niet voor iemand van een opsporingsbrigade door de buren te worden versleten. Haastig sloot hij het poortje achter zich en liep het gangetje in. De achterdeur was open; een hangslot hing los aan de ketting. De ruimte erachter baadde in een diffuus, oranje licht. Hij keek bedachtzaam om zich heen, voelde zijn hart op een vreemde manier tekeer gaan en ademde diep in. Buiten een omgekeerde kachelpijp en de resten van een vuurtje, wees niets erop dat dit pand gekraakt was. Hij hoorde enkele duiven koeren. Als jonge honden zich in dit huis zouden ophouden, zouden de duiven zich wel gedeisd houden, dacht hij, zichzelf geruststellend. Resoluut begon hij de trap te bestijgen. Op de overloop rustte hij even uit, maakte zich meester van de stilte en de geuren. Achter een deur hoorde hij iets dat op gesmoord gehinnik leek, zoals bij kinderen die zich bij het verstoppertje spelen geen raad weten met hun eigen roerloosheid. De directeur voelde zich van minzame herder jager worden, de adrenaline deed hem plots en instinctief handelen. Bruusk opende hij de deur en stormde briesend binnen. De twee jongens die hem verhit en verschrikt aankeken had hij enigszins verwacht - het waren inderdaad leerlingen van hem - maar het was het naakte, uitgestrekte meisjeslichaam dat hem volledig immobiliseerde.
‘Wat is hier gaande,’ fluisterde hij hakkelend en tegelijkertijd wist hij dat zijn woeste verschijning vooral hemzelf in ontreddering bracht.
Eén van de jongens begon te grijnzen en siste tegen de ander: ‘Snel! Volg me, hij kan ons toch niets doen!’
De twee jongens stoven op hem af en wisten hem elk langs een kant te pareren. Hij hoorde hen joelend de trap afstormen en bleef machteloos  achter. Het meisje richtte zich ondertussen versuft op en keek hem met grote, beschuldigende ogen aan.
  
  

12:05 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: welpen, horde, orde, roedel

04-07-10

Vossenhol / intro

  
  
        In tegenstelling tot grote steden die een stroom langs beide oevers omarmen, had deze stad zich net door het water laten begrenzen. Er werden wat tunnels gegraven en dat was het dan: de andere oever werd als een overzijde beschouwd waar men amper iets mee te maken wilde hebben, behalve om de haven uit te breiden, woonkazernes weg te stoppen of energiecentrales neer te planten. Nochtans barstte de stad uit haar voegen. Kort na de oorlog begon de uittocht, eenzijdig naar de directe oostelijke en noordelijke rand. Een voorstad groeide maar ook nu bleek de drang om de dingen op te splitsen, om zich een plaats op te eisen aan deze of gene zijde van een geografisch of sociale grens, zich algauw te doen gelden.
  
        Zo ontwikkelde de randgemeente zich gestaag verder aan weerszijde van een drukke invalsweg: een pompende ader die door de middenstand en het steeds drukker wordende verkeer werd opgeëist. Langs de noordelijk kant werden drassige weiden opgehoogd en nieuwe straten aangelegd, waarin aarzelend een nieuw leven kon worden geleefd. De andere kant bleef wat het altijd was geweest: een wijk die zich wat onbestemd had genesteld tussen pakhuizen en kleine fabrieken. Het weinige aantrekkelijke van deze buurt, de aanwezigheid van water bijvoorbeeld, een dok waarin lichters geduldig wachtten om volgestouwd het kanaal op te varen, werd overschaduwd door een constant gezoem van bloemmolens en de weeë geur van veevoeders. De Boerenbond had zich van dit laatste stedelijk residu onherroepelijk meester gemaakt. De buurtbewoners die het zich konden permitteren, lieten zich onteigenen en trokken naar de overkant, de meest fortuinlijken naar het groen, zo ver mogelijk weg van de stad. Wie overbleef, probeerde de geuren en geluiden gewoon te worden. De rest is geschiedenis, een geschiedenis.
  
        De jonge vrouw zat nu al meer dan een uur, na drie schamele glazen goedkope, rode wijn, voor zich uit te staren en iedereen in café ‘t Dokske kreeg het er stilaan van op de heupen. Zelfs de Marcel, die zijn handen er normaal niet voor omdraaide om luidruchtige dokwerkers die te diep in het glas hadden gekeken resoluut en hardhandig als het moest de deur te wijzen, was niet in zijn doen. Ongemakkelijk laveerde hij vanachter zijn toog naar het tafeltje van de vaste klanten om hun bestellingen te noteren en deze, tegen zijn gewoonte in, aan hun tafel te serveren.
  
  

16:00 Gepost in Teksten | Commentaren (1) | Tags: vossenhol, roedel, voorstad, pulp, intro

29-06-10

Welpen(h)orde VI

   
   
        ‘Commissaris, laat ons open kaart spelen. We weten allebei dat je komst niets met een beleefdheidsbezoekje te maken heeft. Wat is het probleem?’
‘Hugo, begin de zaak nu niet te chargeren! Ik kom hier enkel als een goede vriend en het laatste wat ik zou willen is dat je je door mij op de korrel genomen zou voelen…’
‘Wat is er dan?’
‘Een ongemakkelijke situatie, meer niet. Eerst wil ik wel nog een borrel, als het niet derangeert.’
De directeur nam de fles en zette deze op het bureau, aan de kant van de bezoeker. ‘Bedien jezelf, het is je van harte gegund.’
‘Graag. Normaal gezien drink ik niet in uniform, maar het zou wat potsierlijk overkomen als ik me hier nu zou beginnen uitkleden.’ De agent schaterlachte. ‘Nu even serieus,’ begon hij nahikkend, ‘er zijn klachten binnengekomen, over een aantal jongens, van de eerste graad vermoed ik, volgens de beschrijvingen zijn ze amper twaalf à dertien jaar.’
De directeur liet zich in zijn bureaustoel ploffen, hopend dat de agent niets had gemerkt van het gevoel van opluchting dat hem overviel. ‘Wat is er gebeurd, gaat het over vechtpartijen, over winkeldiefstallen, verkeersovertredingen of over wat dan ook waarmee overijverige pubers de brave burger ambeteren?’
‘Het is van een andere orde, iets waar wij, als ordehandhavers, niet echt raad weten. Een aantal jongens heeft zich toegang verschaft tot een leegstaand pand. Ze hebben er een soort clubhuis geïnstalleerd. Meer niet, maar ook niet minder.’
‘En zijn het leerlingen van deze school?’
‘Vermoedelijk wel. ‘t Zijn er in ieder geval geen van de vakschool, daar zien ze volgens de buren niet naar uit.’
De directeur haalde zich beelden voor de geest die hij op televisie had gezien, waarbij zwaarbewapende ordetroepen in een naburig land zogenaamde krakers hardhandig uitdreven en, als een soort statement, alle huisraad uit de ramen kieperden. Hoe hoger de verdieping, hoe hoger de ontzetting en hoe hoger het ontradend effect, zo leek het, als een economisch principe, als een eenvoudige kosten-batenanalyse, maar overduidelijk voor iedereen, dat wel.
‘Drijf hen er uit, je kan beschikken over gekwalificeerd personeel.’
‘Zo simpel is het niet. Voorlopig is er geen enkele officiële klacht; het blijkt dat de eigenaar van het pand, een obscure patrimoniumvennootschap, in het buitenland is geregistreerd. Zolang deze zich niet als burgerlijke partij laat horen, kunnen wij eigenlijk niets ondernemen. En zoals het er momenteel voorstaat, zou het hem ook helemaal niet interesseren, hij wacht geduldig op een sloopvergunning.’
‘Komaan, als één van mijn leerlingen met zijn fiets een eenrichtingsstraat negeert, wordt hij beboet!’
‘Op de openbare weg hebben we voorlopig nog enige bevoegdheden, maar op privaat terrein ligt het helemaal anders.’
‘En wat als de openbare orde er wordt verstoord?’
‘Zover ik weet wordt er niets illegaals verhandeld, gebruikt of tentoongesteld.’
‘Doen die jongens eigenlijk wel iets verkeerd?’
‘Wettelijk gezien niet en dat is net de reden waarom ik hier ben, op informele basis.’
‘Zijn er ook meisjes bij betrokken?’
‘Volgens mijn informatie niet. Nog niet.’
De directeur besefte dat het bezoek van de commissaris pas nu zijn ware toedracht zou prijsgeven.
  
  

20:33 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: roedel, pulp, welpen, horde, orde

26-06-10

Welpen(h)orde V

  
  
        Bruusk werd hij gestoord in zijn overpeinzingen; de intercom begon indringend te zoemen. Hij nam de hoorn op en zei met afgemeten stem: ‘Wat is er?’
‘Mijnheer de directeur,’ het was de krakende stem van de conciërge, ‘de commissaris van de politie wilt u spreken.’
‘Laat hem vijf minuten wachten bij het onthaal en stuur hem daarna maar naar boven.’
‘Naar uwen bureau?’
‘Natuurlijk,’ antwoordde hij bars en smeet de hoorn neer. O, wat kon die oude onderkruiper van een concierge hem toch ergeren. Met zijn samenzweerderig geknipoog en zijn slepend been, een overblijfsel van een onzalige behandeling die hem net na de oorlog te beurt was gevallen. Met zijn staat van dienst als rijkswachter maar zonder recht op een pensioen had hij de vorige directeur kunnen overtuigen om hem voor het leven aan te nemen als manusje-van-alles. Uit menslievendheid of uit een eerder politieke sympathie, wie zal het zeggen, maar waarschijnlijk waren het zijn onvoorwaardelijke loyaliteit en het uiterst karige loon die de doorslag hadden gegeven. De directeur begon wat dossiers op zijn bureau te schikken, kwestie om de indruk te wekken dat hij overstelpt werd door het vele werk. Exact vijf minuten na het telefoontje, lichtte het oranje lichtje van de intercom op. Hij drukte op de groene knop en liet zich zuchtend in de bureaustoel zakken.
  
        ‘Mijnheer de directeur,’ de commissaris stormde in vol ornaat en met uitgestrekte hand op hem af. Met de andere hand nam hij zijn kepie af en legde die doodgemoedereerd boven op een stapel dossiers. De directeur stond moeizaam op en hoopte dat dit de bezoeker niet zou zijn ontgaan, schudde de ander de hand en gebaarde dat deze kon gaan zitten. In de deuropening stond de conciërge nieuwsgierig te staren. Toen hij de strenge blik van zijn baas eindelijk gewaar werd, verschoof hij zich achterwaarts, als een ongewerveld dier, maar met minder stijl. De deur viel in het slot.
‘Commissaris, mag ik u iets aanbieden?’
De agent keek veelbetekenend naar het dressoir in de hoek, naar de fles Hertekamp en het kistje sigaren. ‘Een aperitiefje kan ik best gebruiken en één van uw voortreffelijke sigaartjes kan mij altijd bekoren, dat weet u.’
De directeur stond op, nam een borrelglaasje en zette het voor de agent neer, met opvallend vaste hand schonk hij het glas tot net aan de rand vol. Het sigarenkistje plaatste hij er naast, nam er zelf één uit en rook er ostentatief aan, maar bleef opvallend rechtstaan. ‘Tast toe,’ zei hij minzaam.
‘Drinkt u niet mee?’
‘Het is nog wat vroeg. Ik hou graag het hoofd helder.’
‘Dat is het voordeel wanneer je met overtreders te maken hebt, je klanten willen niets liever dan dat je beantwoordt aan hun diffuse denkpatronen.’
‘Ik beschouw mijn leerlingen niet als klanten, zeker niet als overtreders.’
‘Dat bedoel ik net.’ De commissaris trok zelfvoldaan aan zijn sigaartje en nam een gretige slok.
  
  

18:05 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: roedel, horde, orde, welpen, pulp

24-06-10

Welpen(h)orde IV

  
  
        De erotiek of een artefact daarvan bewaarde hij voor de late uurtjes, wanneer het klooster in volledige stilte was gehuld. Als de goesting hem bij zijn nekvel nam en de drank hem niet te veel had beneveld, dan schoof hij het verzameld werk van Proust opzij. Achter zijn immense bibliotheek verschool zich immers een bonte verzameling aan pornografische foto’s en publicaties.
   
        Minstens één maal per trimester begaf hij zich, tegen valavond en getooid met zonnebril en een lichtgrijs kostuum, met vaste tred naar de oude stad, naar een obscuur winkeltje, gespecialiseerd in zeldzame munten. De eigenaar, een voormalige studiegenoot van hem die in een bevlogen moment zijn kap over de haag had gegooid, was naast een expert in numistiek tevens een marchand in onbetaalbaar geachte perversies, op papier weliswaar. Voor harde valuta konden vaste klanten zich discreet, onder de toog, de aanzet tot ultieme fantasieën toe-eigenen. Gaandeweg had de directeur zich een collectie verzameld die beantwoordde aan wat hem enerzijds met afschuw, anderzijds met verrukking  vervulde: gewillige dames die het deden met alles wat zich onbeschaamd toegang verschafte tot al hun denkbare lichaamsopeningen. Een bijzondere voorkeur koesterde hij voor seksuele handelingen waar honden bij betrokken waren, hun omzwachtelde klauwen en spitse roeden hadden iets aandoenlijk en de meisjes keken de reuen steevast vertederd in de ogen. Het morsige dat de scènes opriepen deden hem soms terugdromen over zijn korte vakantie in Oostenrijk. Hij was er zich maar al te goed van bewust dat de goegemeente zijn interesse als ongezond en onnatuurlijk, misschien wel als illegaal, zou bestempelen, maar anderzijds had hij niet het gevoel dat hij iemand benadeelde; de honden leken goed behandeld te worden en de meisjes konden misschien eindelijk hun studies betalen zonder zwanger te worden. Honi soit qui mal y pense, dacht hij, bijna opstandig, ik val tenminste niemand lastig met mijn vieze prentjes! Dat sommigen van zijn confraters de daad bij het woord voerden met gewillige koorknapen en geïntimideerde misdienaars, vervulde hem echter met deernis en weerzin. Van kinderen blijf je af; je kan ze, zelfs als ze er niet zelf om vragen, volproppen met een overdosis aan kennis of ze met harde hand goede manieren proberen bij te brengen, je mag ze zelfs ongelukkig maken als voorbode op de onverbiddelijke toekomst die hen wacht. Zij op hun beurt, mogen de hand bijten die hen voedt en zich afkeren van de meelijwekkende troost die hun opvoeding hen biedt. Maar kinderen mag je nooit voor het leven tekenen. Nooit.
  
  

01:03 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: pulp, roedel, welpen, horde, orde

21-06-10

Welpen(h)orde III

  
  
        Ach, de fysieke verschijningen die soms voor vrouwen moeten doorgaan, dacht de directeur terwijl hij zich een tweede borrel inschonk. Meewarig maar ook nog enigszins beschaamd dacht hij aan een enkel avontuurtje dat zijn leven bijkans een andere wending had gegeven. Lang geleden, hij was net gewijd, kon hij de decaan van het seminarie overtuigen om hem een korte vakantie toe te staan. Met de rugzak en zonder soutane was hij door Midden-Europa getrokken, via Duitsland naar Italië met Vaticaanstad als einddoel, het ultieme excuus volgens zijn mentor. Onderweg, net over de grens in Oostenrijk, voelde hij zich aangetrokken door een imposant, deels vervallen kasteel waar zich een commune van artiesten van allerlei pluimage ophield. Het was een gesloten, afstandelijk groepje dat niet van pottenkijkers hield, maar hij kon er toch, zij het na intern geredetwist, overnachten in een schuur. Aanvankelijk was hij geïmponeerd geraakt door de leider van de groep, een soort sjamaan met een semi-religieuze uitstraling, die zich steevast ‘kunstenaar’ liet noemen. Eén van zijn discipelen, een jonge, trotse vrouw met donkere ogen en een mysterieuze blik, begon hem als eenzame buitenstaander doelbewust te benaderen. Toen hij haar bekende dat hij een celibaatgelofte had afgelegd, bekende zij op haar beurt dat het dan haar taak was om hem te ontmaagden. Zeven nachten lang had hij zijn hoofd op hol laten brengen door haar zwoele stem, haar resolute handen en een lijf waarvan elke spier gespannen leek om hem voor de eeuwigheid te verleiden. Hij had het zich allemaal in een gelukzalige roes laten welgevallen en het gaf hem plots de kracht om alle verboden en geloftes van wat hij toen nog steeds als een onzekere roeping beschouwde, naast zich neer te leggen. Tot hij stilaan tot het besef kwam dat zij nog met veel andere mannen, kameraden noemde zij hen, het bed deelde en dat zij op zijn zachtst gezegd er wel erg bijzondere seksuele voorkeuren op nahield. Ontnuchterd, maar ook ontgoocheld in haar en vooral in zichzelf, had hij na een hectische week zijn boeltje genomen en was hij teruggekeerd naar huis, met de staart tussen de benen. Rome had hij nooit bereikt.
  
        Zijn afkeer van direct fysiek contact was er alleen maar groter door geworden. Onthouding was hij stilaan als een vorm van overleven gaan beschouwen, met het vergaren van kennis en een onvoorwaardelijk geloof in het hogere als wapens in de strijd tegen de teloorgang van goede manieren en een duidelijke moraal. Ook de drank werd meer en meer een middel om zich recht te houden in een maatschappij waar alles in twijfel werd getrokken. Hij wist maar al te goed dat net zijn drankprobleem en de daarbij horende ontreddering ooit zijn ondergang zouden inluiden. Alhoewel, voorlopig had hij alles best onder controle. Overdag dronk hij enkel jenever, wat bijna geen geur of andere sporen achterliet, ‘s avonds kon hij zich op zijn kamer, omringd door de meesters van de Franse literatuur, ongebreideld wijden aan het proeven van de meest exquise wijnen en sterke dranken. Elke week werd er discreet een karton op het kasteeltje geleverd; de vader van één van zijn probleemleerlingen was groothandelaar en importeur, kende zij zwakheid maar al te goed en speelde daar handig op in. Alleen zuster Kristien trok af en toe een wenkbrauw op, wanneer zij zuchtend en steunend de zware doos naar boven had gesleurd en hem nahijgend beschuldigend aankeek. Maar voor de rest deed zij er het zwijgen toe, als een volleerde slotzuster.
  
  

20:36 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: pulp, welpen, horde, orde, roedel

16-06-10

Welpen(h)orde II

  
  
        Er werd op de deur geklopt, zacht, ietwat aarzelend. Hij wist dat het mevrouw Brijs was; zij was de enige die het intercomsysteem steevast weigerde te gebruiken. Toch drukte hij op de groene knop in plaats van haar mondeling binnen te laten.
‘Goedemorgen, meneer de directeur.’ Ze legde de appellijsten op zijn bureau.
‘Goedemorgen, mevrouw Brijs. Zijn er opvallende afwezigheden te melden?’
‘Neen, meneer, meestal griepgevallen - het is de tijd van het jaar, weet u - de meeste zijn telefonisch door de ouders gemeld met de melding dat er nog een doktersbriefje volgt.’
‘Mooi zo, u mag beschikken’, zei hij formeel.
‘Dank u’, ze draaide zich om, trippelde koket uit zijn gezichtsveld en sloot de deur zodanig dat het slot amper een geluid maakte.
Een vrouw met een rok en naaldhakken! De tijden waren ook hier aan het veranderen! Tot voor kort was dit college een exclusief mannelijke bastion geweest, maar door de nieuwe arbeidswetgeving kon hij er moeilijk onderuit om eveneens vrouwelijk kandidaten toe te laten. Voorlopig enkel voor de administratieve vacatures, maar ook dat zou in de toekomst veranderen, dat wist hij zeker. Natuurlijk had hij ondertussen het been stijf kunnen houden en ze enkel en alleen maar kunnen toelaten om voor de vorm te solliciteren, maar de kandidatuur van de echtgenote van een vooraanstaande licentiaat die in de schoolraad als afgevaardigde van het onderwijzend personeel zetelde, had hij moeilijk zo maar naast zich neer kunnen leggen. Bovendien had zij meer dan de vereiste referenties en kwalificaties. Onder lichte druk van de schoolraad was hij uiteindelijk gezwicht en, als hij eerlijk was, beklaagde hij het zichzelf niet; ze deed haar job als secretaresse meer dan behoorlijk en haar verschijning stemde hem elke keer inwendig enigszins vrolijk. De gespannenheid waarmee hij haar benaderde had meer te maken met een verworven onwennigheid en met een zekere onrust over de vraag of zijn collega-priesters haar en de vrouwen die haar onvermijdelijk zouden volgen een plaats konden geven in de stilaan wereldvreemde combinatie van een moderne onderwijsinstelling met een kleine kloostergemeenschap.
  
        Het klooster was gelegen in een wat onderkomen kasteel in een park dat het college aan westelijke en zuidelijke zijde omsloot. Na de oorlog had het bisdom het park aangekocht om in een gedeelte ervan een katholieke school te bouwen, als verweer tegen het oprukkend gemeenschapsonderwijs dat zich vooral in de directe rand van de grote stad meer en meer deed gelden. Het kasteel zelf had een ietwat kwalijke reputatie; tijdens de oorlog had de bezetter het namelijk geconfisqueerd als hoofdkwartier van de Gestapo.
Het Bisschoppelijk Lyceum, zoals de school zichzelf noemde, trok vooral jongens aan uit de plaatselijke middenklasse, maar bood tevens een alternatief aan diegenen die de strenge eisen van de colleges in de binnenstad en de groene randgemeenten te zwaar vonden. De bovenverdieping van het kasteel werd ingericht als residentie van een kleine gemeenschap van geestelijken die niet onder één of andere orde vielen, maar door het bisdom pragmatisch waren geïnstalleerd. Het amalgaam van die gemeenschap bestond uit zeven priesters en één zuster die het eten en de was en de plas verzorgde. De directeur wist dat onder de leerlingen de wildste verhalen de ronde deden over zuster Kristien. Dat zij zich tijdens de oorlogsjaren had ontpopt tot een soort wolvin van de SS en nu de plaatselijk clerus bediende op al hun vleselijke begeerten, maar wie haar ooit in levende lijve had gezien en vooral gehoord, wist wel beter; geen zinnig mens, laat staan een man, zou zich door dit schepsel het hoofd op hol kunnen laten brengen. Ze was aartslelijk en verstond de kunst om met haar tieren en kijven iedereen op de zenuwen te werken, behalve haar twee stratiers, twee reuen die haar overal volgden, de één hinkend omdat hij een poot miste, de ander potdoof en dus schichtig en vals. Ze stak hen voortdurend restjes toe die ze opdiepte uit de spelonken van haar zwart nonnenkleed. Hun trouw werd niet beloond maar afgekocht.
  
  

20:10 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: orde, roedel, pulp, welpen, horde

13-06-10

Welpen(h)orde I

  
  
 
       De priester stak een cigarillo op en schonk zichzelf de eerste borrel in, een jonge jenever van het merk Hertekamp. Door het raam keek hij uit over de twee verdiepingen lager gelegen speelplaats. Jongens van de lagere graad renden als een bende jonge honden achter elkaar aan of ze speelden een soort handbal. Hij zag niemand voetballen. Gelukkig maar, want één van zijn verordeningen verbood dit uitdrukkelijk. Een ietwat belachelijke richtlijn, dat wist hij wel, maar het bespaarde de school onnodige glas- en andere breuken en het verplichtte de leerlingen om een beroep te doen op hun fantasie om minder heftige balsporten te verzinnen. De oudere jongens stonden in groepjes bij mekaar, vooral rond de toiletten. Waarom die omgeving hen aantrok, was hem niet echt duidelijk; de geur was er nu niet bepaald aantrekkelijk, maar hij vermoedde dat ze op die plek het komen en gaan van de hele speelplaats in het oog konden houden. De meeste derdegraads rookten, wat hen ook werd toegelaten zolang ze hun peuken maar niet op de grond gooiden. Daartoe had hij het zevende metaal van de naburige vakschool grote roestvrije asbakken laten construeren.
  
       
Orde en discipline waren mooie zaken, bedacht hij, zolang ze maar geen doel op zich werden. In de acht jaar dat hij nu directeur van dit college was, had hij zowel de leerlingen als het lerarencorps kunnen overtuigen van een aantal ongeschreven regels. Alhoewel een aantal van zijn collega’s steevast bleef argumenteren dat zachte heelmeesters stinkende wonden maakten, begonnen die regeltjes in het beste geval een eigen leven te leiden. De twee leerkrachten van wacht kuierden gemoedelijk over de speelplaats. Sommige leerlingen benaderden hen en gaven hen een hand, waarna ze zich, zonder verdere plichtplegingen, terug tot het spel richtten. Nog zo een geplogenheid waarvan niemand de oorsprong kende, maar die een zekere, latent aanwezige rangorde duidelijk maakte: er waren strebers en rebellen, onachtzamen en pragmatici. Net zoals in de wereld buiten de schoolpoort. Onder het dichte gebladerte van de drie wilde kastanjebomen kon hij vaag enkele jongens ontwaren die initialen of wat dan ook in de schors van afgevallen takken kerfden. De tuchtprefect had hem hiervan ooit verschrikt melding gemaakt, maar zolang er geen bloed vloeide, was hij niet van plan het gebruik van zakmessen te verbieden. Wie een gouden horloge en een zakmes kreeg voor zijn plechtige communie, zou dit als opgroeiende volwassene wel weten te plaatsen, was zijn devies. Al bij al doe ik het toch niet slecht, dacht hij voldaan terwijl hij zijn glas leegdronk. Toen het belsignaal ging, nam hij een laatste trek van zijn sigaartje en keek hij toe hoe de ruim achthonderd leerlingen zich per klas in rijen begonnen te verzamelen.
  
       
In de gangen ontstond een aanzwellend rumoer dat tot in zijn bureau hoorbaar was. Na een viertal minuten zou dit uitdeinen, wist hij. Wat er zich daarna in de klaslokalen zou afspelen, daarover was hij minder zeker. Over het algemeen had hij een onvoorwaardelijk vertrouwen in zijn korps, maar er waren hem laatst enige onregelmatigheden ter ore gekomen over een jonge, beginnende leerkracht aardrijkskunde in de eerste graad, ene meneer Voet, die zich nogal vrijpostig scheen te gedragen tegenover bepaalde leerlingen. Hij moest dit dringend dieper onderzoeken; ook geruchten kunnen een eigen leven leiden, wist hij uit ervaring. Gelukkig was de man in kwestie geen collega-priester en zou een vertrouwelijk gesprek van man tot man kunnen volstaan om elke onduidelijkheid in der minne te regelen. Met zachte dwang als het moest, tenslotte was een vaste benoeming in het onderwijs iets waarmee je voorzichtig omsprong. De schoolstrijd mocht dan al lang gestreden zijn, het bleven roerige en dus onzekere tijden voor iemand die een carrière in het vrij onderwijs ambieerde…
 
 
  

22:40 Gepost in Teksten | Commentaren (2) | Tags: roedel, orde, horde, welpen, pulp

05-06-10

Kermis

  
  
         Hoogontwikkelde dieren leren gaandeweg om zich in het belang van de groep te ontfermen over wat zich zwak en breekbaar toont. De gretigheid waarmee dit proces zich bij de mens voltrekt zou menig dichter zorgen kunnen baren; een constante, te grote onderdruk zorgt er namelijk voor dat wankele harten alsmaar groter worden, tot ze uiteindelijk pompend uit hun voegen barsten of uitzinnig om zich heen schoppend (weliswaar met tranen in de ogen) om vergiffenis smeken.
 
       
Geef toe: niets is wat het lijkt, laat staan wat de meest overmoedige er in een onbewaakt moment van gelukzaligheid van verwacht, daartoe bedenkt de natuur getrouw, met instemmend gegrom van de omgeving, op tijd en stond een wederkerig ritueel, een schimmenspel van instinctieve, door ijdelheid ingegeven handelingen, door cynici ook wel kermis genoemd.
  
  

11:48 Gepost in Teksten | Commentaren (1) | Tags: pulp, kermis, roedel

01-06-10

Vossenhol V

  
  
        Ze keek hem ongelovig aan, maakte zich los en voelde met beide handen aan haar buik. ‘Als het een jongen is noem ik hem Marcel. Zonder familienaam.’ Haar stem klonk verassend mild en Marcel besefte nu pas hoe jong ze er eigenlijk uitzag, zelfs met die donker opgemaakte ogen en doorrookte stem.  
‘En als het een meisje is?’
‘Het is een jongen, dat voél ik, zoals hij me nu al schopt! Voel maar…’ Ze nam zijn hand en legde hem naast de hare. Marcel voelde zich week worden. Hanel zag het en zei glimlachend maar met een zweem van spot: ‘Je bent een oude, sentimentele dwaas.’
‘Dat weet ik.’
  
        ‘Kom, toon me het nest dat je voor me hebt gemaakt!’
‘Het is hier wat donker, maar als je de deur open laat, zal ik het licht op de gang laten branden.’
‘Het is in orde, maak je maar geen zorgen, ik trek mijn plan wel.’
‘Het toilet is achter het café.’
‘Dat weet ik ondertussen wel.’
‘Misschien wil je jezelf wat verfrissen…’ Hij keek bedeesd maar veelbetekenend naar de zoom van haar jurk.
‘Pfff, ik ben niet vies van mezelf.’
‘Heb je geen honger?’
‘Neen, nu wil ik alleen maar slapen. Slaapwel, Marcel.’
‘Hanel, zal je jezelf goed verzorgen?’
‘Ik sta mijn mannetje wel, als je dat bedoelt.’
‘En het kind? Wat verwacht jij van het kind?’
‘Misschien wel dat het mijn leven zal redden.’
‘Dat meen je niet…’
‘Toch wel,’ zei ze beslist.
‘Eh…’
‘Slaap wel, Marcel.’ Haar stem klonk zwak maar nadrukkelijk.
‘Slaapwel.’ Marcel besefte dat hij ontgoocheld moest hebben geklonken. Bedremmeld slofte hij de trap op en wist dat hij onrustig zou slapen.
  
Het gebeurt wel vaker in de natuur dat een wolvin genoegen neemt met een verlaten vossenhol of dassenburcht om haar nest in te richten.
  
  

18:39 Gepost in Teksten | Commentaren (1) | Tags: pulp, vossenhol, roedel

26-05-10

Vossenhol IV

   
  
        In de kleerkast vond hij een proper maar ongestreken laken en uit een grote kartonnen doos van Sole Mio haalde hij een dik wollen deken. Van het bed graaide hij één van de twee hoofdkussens mee. Moeizaam daalde hij de trap af, voorzichtig elke tree aftastend want met al dat beddengoed kon hij amper naar beneden kijken. Hij legde het hoofdkussen aan het verste eind van het veldbed en drapeerde onhandig het laken en de deken over het geheel. Het was er krap, besefte hij, maar ze moest de deur maar laten openstaan, anders zou ze zich wel opgesloten voelen, als een gekooid dier en dat was niets voor haar. Toen hij zachtjes de deur naar het café opende, zag hij haar eerst niet. Het bleek dat ze achter de toog druk maar gedempt aan het telefoneren was, in het Duits, zo klonk het. Ze merkte hem op en reageerde alsof hij haar betrapt had. ‘Tschüs,’ zei ze haastig en legde de hoorn abrupt neer. Marcel stond haar wat onwennig aan te staren, maar toen ze moeizaam naar hem glimlachte, voelde hij zijn hart smelten. Zij wees op het briefje van 1000 francs op de toog. ‘Volstaat dat, voor al de last die ik je bezorg?’
‘Dat is niet nodig,’ stamelde hij.
‘Koop er maar wat speelgoed voor de kinderen mee, dan moet je je niet schuldig voelen.’
‘Voelt u zich al wat beter?’
‘Ja, ’t gaat wel, maar ik voel me ontzettend moe.’
‘Ik heb een bed voor u geïmproviseerd. Het is wel niet bepaald luxueus, maar…’
De vrouw kwam voorzichtig vanachter de toog, omarmde hem langzaam, legde haar hoofd met een zucht op zijn schouder en fluisterde, dicht bij zijn oor: ‘Je bent veel te goed voor mij. Weet je, ik ben het niet gewend dat er iemand voor me zorgt.’
Marcel wist geen raad met zichzelf en stond er hulpeloos bij, als een geslagen hond. Om zich een houding te geven stelde hij de vraag die hij haar al eerder in gedachten had gesteld: ‘Wie ben je eigenlijk, ik ken zelfs je naam niet…’
‘Is dat belangrijk?’
‘Voor mij wel, morgen zal je waarschijnlijk verdwenen zijn uit mijn leven. Ik ben slecht in het herinneren. Ik mis de verbeeldingskracht om herinneringen te koesteren en het lef om hen een plaats te geven, maar een naam kan ik onthouden.’
‘Hanel…’ klonk het zacht.
‘Zonder familienaam?’
‘Zonder familienaam.’
‘Heb je dan geen familie? Is er nergens een vader of moeder of wie dan ook die zich over jou zorgen maakt?'
Ze keek hem ongelovig aan...
  
  

21:53 Gepost in Teksten | Commentaren (1) | Tags: pulp, roedel, vossenhol

21-05-10

Vossenhol III

  
  
        ‘Ik wil geen problemen, ik heb er al genoeg’, zei Marcel hees, ‘laat me de dokter van wacht bellen.’
‘Neen, geen dokter’, zei ze beslist, ‘heb je geen plekje waar ik even tot rust kan komen. Als ik me dan wat beter voel, vertrek ik ogenblikkelijk. Dat beloof ik je.’
Marcel aarzelde, zoals altijd wanneer er op zijn gemoed werd gespeeld. ‘Luister, ik heb op de gang nog een ingemaakte kast vol rommel waaronder een veldbed van toen ik in het leger zat. Ik ben zo terug, zet u ondertussen even…’
  
        Tussen het kuisgerief begon hij naarstig dozen te verschuiven, ergens achterin lag het veldbed onder een laag stof. Toen hij het gevonden had en het meeste stof verwijderd had, zette hij het routineus in mekaar. Er zijn dingen die je nooit meer zal verleren, dacht hij en herinnerde zich de afschuwelijke manoeuvres in weer en wind tijdens zijn dienstplicht als stormfuselier. Vervolgens ging hij de trap op om boven in zijn slaapkamer wat dekens te halen. Achter de deur van de living stond zijn oudste zoon hem schichtig op te wachten. ‘Wat gebeurt er allemaal, pappa? Ik hoorde zoveel lawaai beneden, dat ik dacht dat er weeral gevochten werd in het café. Ik hoorde een vrouw roepen en dacht dat het misschien ons mamma was…’
‘Maar neen, mijn jongen, er is alleen een vrouw die zich niet goed voelt. Ga nu maar slapen, uw pappa lost dat wel op.’
‘Die vrouw, is ze schoon?’
Marcel antwoordde aarzelend: ‘Ja, maar veel te jong en ze komt van een andere wereld.’
‘Is ze schoner dan mamma?’
‘Niemand is schoner dan uw mamma, dat weet ge toch.’ Marcel’s stem stokte.
‘Hebt ge uw huiswerk gemaakt?’, herpakte hij zich. De jongen knikte.
‘En zijn uw broer en zus goed gaan slapen?’
‘Ja, maar ze hebben nog lang in bed gebabbeld. Een half uur geleden heb ik het lichtje uitgedaan.’
‘Ge zijt een brave jongen.’ Maar met braaf zijn komt ge niet ver in deze wereld, dacht hij bitter. ‘Ga nu ook maar slapen, morgen is het vroeg dag.’
Hij trok de jongen naar zich toe en gaf hem een kus op het voorhoofd, die de zoon zich nog net liet welgevallen. Binnen het jaar moet ik dit niet meer proberen, besefte Marcel.
  
  

12:03 Gepost in Teksten | Commentaren (1) | Tags: pulp, vossenhol, roedel

18-05-10

Vossenhol II

  
  
        Hij schoof de grendel voor de deur en sloot de gordijnen. Vervolgens nam hij haar voorzichtig bij de arm en probeerde de rozige plas op de grond te vermijden. Toen hij haar aanraakte, leek ze te verstijven, keek ze hem met haar grote, donkere ogen verwijtend aan en siste: ‘Laat me met rust! Wat denk je wel, gore profiteur, dat ik zo één van die sloeries ben, een prooi die zich door de eerste de beste laat nemen!’
‘Ik wil je alleen maar helpen, goddomme!’
‘Hoe dan? Ga je de navelstreng doorbijten als het zover is?’, gilde ze uitzinnig.
Marcel vond dit akelig klinken en begon zich op te boeien. Wat had hij deze vrouw in godsnaam misdaan? Zijn stilzwijgende verontwaardiging was zelfs de vrouw niet ontgaan; overdreven verontschuldigend zei ze: ‘Sorry dat ik zo tekeer ging, je bent een goede man, dat voel ik, maar er zijn er ook andere…’ Er verscheen een bittere trek om haar mond. ‘Misschien ben ik er in mijn korte leven te veel van die laatste soort tegengekomen. Of ligt het aan mij, dat ik mij keer op keer door hen voel aangetrokken?’
‘De man wikt, de vrouw beschikt’, probeerde Marcel, een boutade waarmee hij onder de vaste klanten waarschijnlijk een goedkeurend gemompel had geoogst.
  
        Ze leed pijn, dat was duidelijk, maar voor hem was het niet zeker of die pijn iets met haar zwangerschap te maken had. Hij wist niet veel van vrouwenzaken af en begreep nog minder wat er zich allemaal in hun hoofd afspeelde. Zijn vrouw had hem dat meer dan eens verweten. Het café open houden en domme grapjes maken, dat was volgens haar het enige dat hij kon. O ja, hij was ook nog een goede vader, maar zij miste iemand met stijl en goede manieren die haar het leven minder saai en zuur zou maken. De Duitse vrouw had stijl, dat was duidelijk; ondanks haar verfomfaaide kleding en verward kapsel bezat ze een aristocratisch elan. Ze was nog jong, begin twintig schatte Marcel, maar reeds ervaren in een wankel evenwicht tussen peinzen en stoeien. Misschien is ze wel een in ongenade gevallen Oostenrijkse prinses, dacht hij, een soort Sissi op de vlucht. Ze had overigens iets van Romy Schneider, maar dan met een donker en bitter kantje en een meer uitgesproken profiel. In zijn gewone doen zou hij er een flauwe opmerking over maken, waarmee in het café smakelijk zou gelachen worden.
  
        In de Palace  hadden ze enkele maanden geleden de drie films na mekaar geprogrammeerd, een soort marathon voor de fans. Dat was de laatste keer dat Marcel en zijn vrouw nog eens samen waren uitgegaan, ze hadden een babysit geregeld zodat ze niet op een uur moesten kijken. Halverwege de trilogie had hij zijn vrouw achtergelaten om in de bar iets te drinken te halen. Toen hij opstond, negeerde zij hem en bleef ze halsstarrig met betraande ogen naar het scherm turen. Droom maar, dacht hij toen, ooit komt er wel een prins je halen, zo’n betweterige en onhandige intellectueel van adellijke afkomst die zich over een eenvoudige vrouw wil ontfermen. Het tweede deel had hij gemist omdat hij een grote dorst maar niet lessen kon.
  
  

23:21 Gepost in Teksten | Commentaren (1) | Tags: pulp, roedel, vossenhol

16-05-10

Vossenhol

  
  
        De jonge vrouw zat nu al meer dan een uur, na drie schamele glazen goedkope, rode wijn, voor zich uit te staren en iedereen in café ‘t Dokske kreeg het er stilaan van op de heupen. Zelfs de Marcel, die zijn handen er normaal niet voor omdraaide om luidruchtige dokwerkers die te diep in het glas hadden gekeken resoluut de deur te wijzen, was niet in zijn doen. Ongemakkelijk laveerde hij vanachter zijn toog naar het tafeltje van de vaste klanten om hun bestellingen te noteren en deze, tegen zijn gewoonte in, aan hun tafel te serveren.
‘Awel Marcel, schoon volk in huis. Maar ze zegt niet veel, hé. Wie is ‘t?’, fluisterde de schlemiel van dienst met een medeplichtige grijns hem toe.
Marcel negeerde de vraag, draaide zich abrupt om en verplaatste zijn aandacht naar de jukebox. Ook al tegen zijn gewoonte in, stak hij er zelf wat francs in en drukte meermaals op F7; Elvis zou hij nog net kunnen verdragen. De muziek schalde door het zo goed als lege café en versterkte het voorheen ingehouden geroezemoes aan het tafeltje van de vaste klanten. Aan de toog was er geen reactie te bespeuren. Het gebeurde wel meer dat er laat op de avond hoertjes binnenvielen, maar meestal vroegen die al na één koffie aan Marcel om een taxi te bellen. Zo snel mogelijk terug naar ‘t stad, was hun devies; hier waren er geen klanten te versieren. Marcel keek ostentatief op zijn horloge: het was al halftien. Nog twintig minuten, dacht hij, en dan was het tijd voor de laatste bestelling. Als het wat meezat, kon hij iets na tienen de deur sluiten en naar boven gaan, naar zijn drie kinderen. De twee jongsten zouden al slapen, de oudste zou waarschijnlijk over zijn huiswerk gebogen, zitten knikkebollen en met een half oor naar de radio luisteren.
 
        Er kwam die avond geen laatste bestelling; één voor één dropen de vaste klanten af. De meeste van hen deden argeloos teken dat hij hun schuld maar op de rekening moest zetten. Enkelen keken nieuwsgierig en meewarig tegelijk naar de vrouw aan de toog. De schlemiel knipoogde in Marcel’s richting en lachte zijn gele tanden bloot. Toen het laatste akkoord van One Night voor de zoveelste maal die avond uitstierf, sprak Marcel zijn laatste klant aarzelend toe: ‘Mevrouw, we gaan sluiten.’ Ze keek hem met grote, zwaar afgelijnde ogen aan. Marcel wist dat hij werd getaxeerd en voelde er zich, ondanks zijn breedgeschouderd postuur en ruig uiterlijk, ongemakkelijk bij.
‘Mag ik nog een laatste?’, vroeg ze, uitdrukkelijk articulerend met een verrassend zware stem, in het Nederlands, dat wel, maar met een ontegensprekelijk accent. Duits, vermoedde Marcel.
‘Mijn kinderen wachten boven op me…’
‘Hebben ze geen moeder die voor hen zorgt?’, reageerde ze scherp, op het uitdagende af.
‘Voor een tijdje niet, mijn vrouw is even weg…’
‘Met een ander.’, vulde ze hem ongevraagd aan, alsof het op zijn gezicht te lezen was. Haar grote ogen schenen door hem heen te kijken, wat Marcel een onheimelijk gevoel gaf. Om zich een houding te geven, begon hij af te wassen, met zijn rug naar de vrouw, die er voor de rest het zwijgen toe deed. Na een drietal minuten keerde hij zich ongemakkelijk om en tapte een pint voor zichzelf.
‘Wilt ú nog een glas wijn? Van het huis deze keer, maar dan wel het laatste…’
Ze bleef hem doordringend aankijken, maar antwoordde niet. Toen hij het glas voor haar neerzette, mompelde ze een soort bedanking, stak ze een sigaret op, maar liet de wijn onaangeroerd. Terwijl Marcel een sigaretje rolde, vroeg hij haar, quasi onverschillig: ‘Moet ik misschien een taxi bellen?’
‘Verhuur je geen kamers?’
‘Neen, daarvoor is het huis te klein en wie zou het in godsnaam in z’n hoofd krijgen om in deze buurt te komen logeren?’
‘Je hebt gelijk, het is hier benauwend.’ De vrouw stond plotseling op en opende de olijfgroene impermeabel die ze tot dan bijna angstvallig om zich heen had gesnoerd. Daaronder droeg ze een zwartzijden kleed dat er duur en exclusief uitzag en haar vormen nu pas tot hun recht liet komen. Ze was hoogzwanger, zelfs dat kon Marcel nu niet ontgaan zijn.
‘Zal ’t gaan?’, vroeg hij bezorgd.
‘Maak je over mij maar geen zorgen.’ Ze sloeg het glas wijn in één langzame teug achterover en draaide zich om. Haar hooggehakte laarzen klonken hard op de stenen vloer toen ze zich naar de deur wendde. Halverwege bleef ze wankelend staan, zuchtte diep en liet zich gelaten leegstromen. Mijn god, dacht Marcel, ook dat nog.
‘Moet ik echt geen taxi bellen?’, stelde hij haastig voor.
‘Neen, ik wil alleen maar even gaan liggen. Heb je geen bed voor me?’
Madame, wie u ook bent, maak het me niet moeilijk. Ik kan ook een ambulance bellen…’
‘Mar-cel’, ze sprak zijn voornaam uitdrukkelijk uit, in twee afgemeten lettergrepen, met dat gekke Duitse accent van haar. ‘Ik wil een nest, iets zacht en warm en veilig. Is dat zoveel gevraagd?’
  
 

23:06 Gepost in Teksten | Commentaren (0) | Tags: pulp, roedel, vossenhol

01-05-10

Backstage in Berkenroth V

       
  
        In de kamer rook het naar oud zweet en bedorven adem. In plaats van resoluut de zware gordijnen open te schuiven om wat licht toe te laten en de ramen te openen om de lucht te zuiveren, liet ik me zuchtend op de rand van het bed zakken. Bedeesd vroeg ik: ‘Is alles in orde met je, mamma?’
‘Natuurlijk niet!’ siste haar stem vanonder de dekens, ‘ik heb honger en dorst, ik kwijn weg in dit koud en vochtig hol en niemand kijkt naar me om!’
‘Olga is hier en ik ben er nu toch ook.’
‘En ben je hier dan ook om mij graag te zien?’ klonk het ietwat snerend.
‘Ja, maar dan wil ik jou wel in de ogen kunnen kijken…’
De vorm onder de dekens kwam langzaam tot leven en draaide zich steunend om. Haar bleke, gerimpelde gezicht keek me uitgeput aan; resten van oogschaduw en lippenstift waren uitgelopen en haar grijze haren kleefden verward rond een opvallend kleine schedel. Moeizaam glimlachend zei ze: ‘Ik ben blij dat je er eindelijk bent. Welkom thuis, m’n jongen.’
‘…Thuis?’
  
  

24-04-10

Backstage in Berkenroth IV

   
   
        Het was de duisternis die me overmande toen ik de derde deur opende. Door het schaarse licht dat door zware gordijnen binnensijpelde, kon ik vaag een bed ontwaren met onder de dekens de contouren van twee lichamen. Ze leken in mekaar verstrengeld, maar zonder een bijhorend geluid. Enigszins ontsteld trok ik me terug en sloot de deur. Ik ademde diep in en voelde een steek in mijn linkerzij. Ik moet zien dat ik hier zo snel mogelijk wegkom, dacht ik angstig, misschien zijn hier wel dingen gebeurd die ik liever niet wil weten. Op dat moment hoorde ik een haastig geschuifel in de kamer. De deur ging open en Olga kwam verschrikt op de gang, ze sloot de deur omzichtig achter zich en keek me met grote ogen aan. Ze was naakt en rilde. Op haar rug en bovenarmen bleek ze opzichtig getatoeëerd met engelachtige figuren en vreemde tekens die vaag aan cijfers deden denken.
  
berkenroth02
   
    
‘Olga, wat is er hier allemaal aan de gang?’
‘Ssst, meneer, maak haar niet wakker’, fluisterde ze. Ze omklemde me stevig, drukte haar hoofd op mijn schouder en begon heftig te snikken.
‘Is alles in orde met moeder?’
‘Ja, meneer, maar ze is ziek, zo ziek, maar ook zo mooi! Weet u, we hebben het hier helemaal niet gemakkelijk gehad de laatste tijd…’
Ik deed mijn colbert uit en drapeerde deze over haar schouders.
‘Olga, ik wil haar zien…’
  
  

18-04-10

Backstage in Berkenroth III

   
   
         Twee dagen geleden had Olga me opgebeld en zover ik kon vermoeden, was er dus telefoon in huis, alleen wist ik niet waar. Boven waren er waarschijnlijk nog enkele kamers, maar daar was ik nooit geweest. Met enige tegenzin ging ik naar boven. De trap kraakte, het geluid klonk gek genoeg geruststellend. Op de overloop vond ik tastend een schakelaar en knipte het licht aan. Ook hier een schrale spaarlamp, één van de zegeningen die een verenigd Europa ons geschonken had. Een tot op de draad versleten loper leidde naar drie deuren.
  
       
De eerste deur gaf toegang tot een ruime slaapkamer in biedermeierstijl. De ramen stonden wijd open: het was er ijzig koud, maar het rook er tenminste fris, naar lavendel en boenwas. In het midden stond een ruim, hoog opgemaakt tweepersoonsbed, overtrokken met een opzichtige sprei die me vaag aan een kazuifel deed denken. Rechts ervan stonden twee imposante hangkasten met bespokte spiegels. Links van het bed een sierlijkere kaptafel, maar in dezelfde bombastische stijl. De spiegel hing vol met krantenknipsels en foto’s. Sommige ervan kon ik me herinneren van een vorige keer dat Frau K. ze voorzichtig uit een oude schoendoos had opgediept en mij met aarzelend commentaar had getoond. Boven het bed hing een buitensporig groot, ruwhouten kruis waarop een getormenteerd lichaam, ditmaal zonder lendendoek. Ik sloot het raam en verliet de kamer.
  
       
Toen ik de volgende deur opende, keek een paar witte duiven me argwanend aan. Onrustig koerend schuifelden ze op de rand van een immens ligbad. Ook hier stond het raam open. Voorzichtig naderde ik de beesten; uit ervaring wist ik dat ik ze niet te plots mocht opjagen, want dan zouden ze in paniek tegen de muren beginnen opvliegen en heel de kamer onderschijten. Toen ik langzaam dichterbij kwam, schoven ze pootje voor pootje van me weg. Op een bepaald moment waren ze amper een halve meter van het venster en stampvoette ik op de grond terwijl ik tezelfdertijd in de handen klapte. Met een sierlijk boog fladderden beide dieren door het open raam en verdwenen ze achter het rieten dak van de overliggende schuur. Ik keek hen na en bemerkte dat het gestopt was met regenen en dat, alhoewel het nog licht was, een volle maan zich aftekende tegen de hemel. Ook hier sloot ik de vensters en keek om. Het gietijzeren ligbad was inderdaad immens, minstens drie meter lang. De koperen kranen waren groen geoxideerd en het email was mat geworden. Een okerbruine aanslag wees er op dat het grondwater hier ijzerhoudend was. De lavabo was ook al buitenmaats, als een barok altaar, maar één waarop elke hygiëne zoek was. Het tablet erboven was bezaaid met een amalgaam van smoezelige potjes en tubes. Op de spiegel had iemand met lippenstift haastig ‘schmutziche Ratte’ geschreven. Inwendig moest ik wrang glimlachen toen ik bedacht dat ik in dit lege huis op het platteland tot nader order nog geen enkel spoor van ratten of ander ongedierte had opgemerkt. Nog niet.
  
  

15-04-10

Backstage in Berkenroth II

    
   
   
        In de late namiddag reed ik het erf op. Het lag er verlaten bij en bood een mistroostige aanblik. In het midden ervan hadden tractorsporen de aarde omgewoeld en door de aanhoudende regen van de laatste dagen was alles tot een modderpoel herleid. Ik parkeerde mijn wagen tot net voorbij de poort en besloot in een omtrekkende beweging naar het woonhuis te gaan. Daarbij kwam ik voorbij de staldeuren die open stonden: er was geen hond of enig ander levend wezen te bespeuren, het rook er enkel naar gistend hooi. Een onheilspellende stilte maakte dat ik mij behoedzaam begon te bewegen. Bij de voordeur klopte ik aan, maar niemand reageerde. Ik duwde tegen de deur die klemde, maar duidelijk niet op slot was. Met heel mijn lichaamsgewicht kon ik ze uiteindelijk voor meer dan de helft openen. Ik wurmde me door de opening en schuifelde de woonkamer in. Het voelde er beduidend kouder aan dan buiten en het rook er naar beschimmeld hout en vochtig roet.
 
berkenroth01
 

‘Is er iemand?’, riep ik met hese stem en ik voelde me wat belachelijk in de rol van een te voorzichtige detective. Het was duidelijk dat er in deze ruimte al enige dagen geen levend wezen had vertoefd. Alhoewel, in het midden van de tafel stonden er twee lege glazen en een overvolle asbak. Op het aanrecht waren wat vuile borden en een pan met daarin wat bestek gestapeld. In een ijdele poging drukte ik een lichtschakelaar in. Een spaarlamp boven tafel lichtte langzaam op en straalde een troosteloos licht uit. Gelukkig is er nog elektriciteit, dacht ik, dat is toch al iets.
‘Olga!’, riep ik nogal heftig en hoorde het plafond kraken, of misschien had ik mij dit enkel verbeeld. Ik ging langs het deurtje naast de open haard het portaal in en voelde mijn buik rommelen. Hier was het toilet, wist ik. De deur stond open, de pot was hoog gevuld met donkerbruin, brak water. Iemand had zich beziggehouden met krantenpapier ijverig in repels te scheuren en deze op een verroeste nagel te prikken. Ik spoelde door, het water werd er amper helderder door, maar het reservoir vulde zich tenminste. Nog een luxe die ik amper had vermoed. De spanning en de kilte werkte op mijn darmen, net zoals vroeger toen ik me verstopte in het bos. Ik deed de deur achter me op slot, nam een stuk krant en verwijderde de vlekken op de bril, liet mijn broek zakken en ging aarzelend zitten. Het legen van mijn lichaam en de geur van mijn eigen ontlasting maakten me iets rustiger.
 
   

13-04-10

Backstage in Berkenroth

  
  
Sade:
En als ik verdwijn
zou ik graag alle sporen
achter mij uitwissen

uit: 'De vervolging van en de moord op Jean Paul Marat opgevoerd door de verpleegden van het krankzinnigengesticht van Charenton onder regie van de heer De Sade' / Drama in twee bedrijven van Peter Weiss, 1964

        De telefoon rinkelde. Ik stond onder de douche en dacht dat men wel terug zou bellen of me op mijn gsm zou proberen te bereiken of een bericht achterlaten, maar blijkbaar had ik het antwoordapparaat niet opgezet en bleef de telefoon eindeloos rinkelen. Op zulke momenten word ik onrustig en beginnen me de meest nare berichten door het hoofd te spoken. Uiteindelijk nam ik een handdoek en droogde me haastig af. Met klamme handen nam ik de hoorn op, maar hoorde alleen geruis.
'Hallo.'
Geen antwoord.
'Met wie spreek ik?', probeerde ik aarzelend. Vaag hoorde ik nu iemand diep ademhalen aan de andere kant van de lijn. Een vrouw, vermoedde ik instinctief.
'Olga?', vroeg ik tenslotte, weifelend.
'Ja meneer, 't is Olga', klonk haar stem verontschuldigend. 'Ik moet van Frau zeggen dat je moet komen. Het gaat slecht met ons, vooral met haar en ze heeft u nodig.'
'Wat is er dan? Is er iets gebeurd?'
'Ze is ziek, heel ziek, en ze vraagt ganser dagen naar u.'
'Wat heeft ze dan?'
'Dat kan ik niet zeggen, maar u moet komen, zo snel mogelijk.'
'Kan ze zelf niet even aan de lijn komen?'
'Neen, ze...' Haar stem klonk ontgoocheld en leek weg te glijden.
'Olga! Ik heb het druk en kan me niet zomaar even vrij maken om naar Berkenroth te komen. Dat moet je toch begrijpen...'
'Dat begrijpen we', zei ze abrupt en haakte in.
Toen ik probeerde terug te bellen, was de lijn bezet.
 
        In de late namiddag reed ik het erf op. Het lag er verlaten bij en bood een mistroostige aanblik. In het midden ervan hadden tractorsporen de aarde omgewoeld en door de aanhoudende regen van de laatste dagen was alles tot een modderpoel herleidt. Ik parkeerde mijn wagen tot net voorbij de poort en besloot in een omtrekkende beweging naar het woonhuis te gaan...